ECLI:NL:RBLIM:2013:CA0951
Rechtbank Limburg
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis wegens niet tijdig verzet na derdenbeslag op periodieke uitkering
Opposant kwam in verzet tegen een verstekvonnis van 21 oktober 1998 waarin hij was veroordeeld tot betaling aan Canal +. Het geschil betrof de vraag of het verzet tijdig was ingesteld, mede gelet op de toepasselijkheid van oude procesrechtelijke bepalingen (artikelen 81 en 82 Rv oud) en de gevolgen van derdenbeslag op een periodieke uitkering.
De kantonrechter oordeelde dat het verstekvonnis op correcte wijze was betekend aan opposant en dat er op 17 mei 1999 derdenbeslag was gelegd op zijn periodieke uitkeringen. Na de eerste uitbetaling aan de beslaglegger wordt het vonnis geacht ten uitvoer gelegd te zijn, waardoor de termijn voor het instellen van verzet is aangevangen. Omdat opposant pas in december 2012 verzet instelde, was dit niet tijdig.
Opposant had aangevoerd dat het derdenbeslag niet gelijk staat aan kennisname van het vonnis en verwees naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De kantonrechter verwierp dit en stelde dat opposant voldoende toegang tot de rechter had gehad, aangezien hij rechtsgeldig was opgeroepen en geen gebruik had gemaakt van zijn verweerrecht.
Daarom werd opposant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en werd het verstekvonnis bekrachtigd. Tevens werd opposant veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure, met toekenning van wettelijke rente over de proceskosten.
Uitkomst: Opposant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en het verstekvonnis wordt bekrachtigd.