Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[eiser]
de vennootschap onder firma [gedaagde 1] (V.O.F.)
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
MOTIVERING
het geschil
Rechtbank Limburg
Een werknemer vorderde betaling van loon over augustus 2013, openstaande verlofdagen en vakantiegeld na een door hem op initiatief tussentijds beëindigde arbeidsovereenkomst van drie maanden. De werkgever erkende de vordering niet te betwisten, maar stelde een hogere tegenvordering wegens vermeende schade door slecht functioneren van de werknemer zonder een eis in reconventie in te stellen.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep op verrekening kansloos was omdat de werkgever geen bewijs leverde van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, zoals vereist volgens art. 7:661 BW Pro. Het interne urenoverzicht en de schadeclaims waren onvoldoende onderbouwd en niet gekoppeld aan opzettelijk handelen van de werknemer.
De loonvordering van € 1.812,81 bruto werd toegewezen, inclusief de wettelijke verhoging van 50% en wettelijke rente vanaf 30 augustus 2013. De proceskosten werden aan de zijde van de werknemer toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De loonvordering van € 1.812,81 bruto met wettelijke verhoging en rente wordt toegewezen en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van € 2.719,22 bruto plus proceskosten.