Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
de besloten vennootschap YARDEN UITVAARTZORG B.V.
[gedaagde]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
MOTIVERING
het geschil
- De op 4 november 2009 kort na middernacht overleden vader van [gedaagde] , de heer [naam vader] , was met zijn echtgenote via hun lidmaatschap van de vereniging voor crematie AVVL sinds 1 juli 1992 tegen halfjaarlijkse premiebetaling verzekerd bij AVVL Uitvaartzorg N.V. voor de volledige bekostiging van crematie of begrafenis.
- Nadat Yarden de plaats van AVVL ingenomen had (door rechtsopvolging dan wel eenvoudige naamswijziging), had zich een debat met [naam vader] (en andere onder dezelfde voorwaarden verzekerde personen) ontwikkeld over het rechtenpakket / de mate waarin de dekking in natura voorzag in materiële voorzieningen en diensten met betrekking tot de uitvaart.
- Na een uitspraak van de Ombudsman van de stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFiD) heeft Yarden in een aan de ouders van [gedaagde] gerichte brief van 4 oktober 2007 op hun klacht doen weten: “
- Yarden legt die garantie aldus uit dat bij een keuze voor de uitvoering op basis van een later ‘geldende’ polis (de tweede - hier niet toepasselijke - optie) een uitvaart uitgevoerd wordt tegen dan geldende prijzen voor de alsdan gekozen voorzieningen en dat op de totaalprijs de actuele ‘verzekerde waarde’ van de oorspronkelijke polis en de ledenkorting in mindering komen. Bij toepassing van de eerste optie (waarvan in casu sprake is) legt Yarden de toezegging van 4 oktober 2007 - vanuit het idee van een ‘naturasommen verzekering’ (wat daar dan ook onder verstaan wordt) - aldus uit dat ‘het dan geldende verzekerde bedrag met het ledenvoordeel dat Yarden Uitvaartzorg B.V. ter beschikking stelt als zij de uitvaart verzorgen voldoende (is) om de diensten uit het pakket te vergoeden’ (randnummer 6 van de repliek).
- De uitleg van [gedaagde] komt erop neer dat het destijds verzekerde pakket voorzieningen als zodanig gegarandeerd is en dat slechts de prijs van (extra) voorzieningen die dat pakket overschrijden, door de verzekeraar niet vergoed zal worden (en dus door de opdrachtgever afzonderlijk aan de uitvoerder betaald dient te worden).
- [gedaagde] heeft als opdrachtgever voor de uitvaart van [naam vader] ten opzichte van opdrachtnemer ‘ [naam uitvaartcentrum] ’ (in de persoon van [naam] ) gekozen voor uitvoering van ‘het oude pakket’ (de eerste optie), waarvan hij aannam dat deze het geheel althans het grootste deel van de uitvoeringskosten zou dekken.
- In een ‘kostenoverzicht’ van 5 november 2009 (aan het slot voorzien van de vetgedrukte waarschuwing
- Op briefpapier met logo en gegevens van Yarden heeft ‘ [naam uitvaartcentrum] ’ (zonder vermelding van een persoonsnaam en opnieuw zonder opgave van de rechtsvorm van de onderneming aan welke de verzorging van de uitvaart door [gedaagde] opgedragen was), op 12 januari 2010 na de kennelijk (buiten medeweten van [gedaagde] ) gemaakte ‘herberekening’ [gedaagde] een kostenberekening voor de op 10 november 2009 verzorgde uitvaart doen toekomen. Die berekening kwam opeens uit op een bedrag van € 10 545,29 aan totale kosten en een bedrag van € 6 255,90 dat voor rekening van opdrachtgever [gedaagde] diende te komen.
- Op 14 januari 2010 heeft - nu weer - ‘ [naam uitvaartcentrum] ’ (zonder voorvoegsel ‘Peters’ en met wel de eigen adresgegevens) de thans gedaagde [gedaagde] een nota voor de uitvaart van 10 november 2009 gestuurd ten bedrage van € 6 476,61.
- [gedaagde] heeft in reactie hierop bij brief van 31 januari 2010 aan Yarden zijn bezwaren kenbaar gemaakt (omdat het uitvaartcentrum zijn berekening kennelijk baseerde op de door de verzekeraar aangehouden uitgangspunten) en heeft laten weten vooralsnog tot betaling van slechts € 1 339,30 over te gaan, het bedrag waarover volgens zijn berekening geen twijfel kon bestaan dat het voor zijn rekening diende te komen (hij specificeerde een en ander en plaatste vraagtekens bij enige restposten).
- Op 15 februari 2010 heeft [gedaagde] in een brief aan wederom Yarden erkend dat ook een post advertentiekosten ad € 699,51 voor zijn rekening diende te komen, maar per onderdeel gespecificeerd beargumenteerd dat dit niet gold voor de opgevoerde kosten van volgauto’s (€ 840,00) en ‘wachttijd volgauto’s’ (€ 1 200,00). Door hertelling kwam [gedaagde] op een kostenpost voor vier volgauto’s ad € 644,46 uit, waarvan er één onder het bereik van het verzekerde pakket diende te vallen, zodat hij zich ook nog een bedrag van € 483,35 schuldig achtte.
- [gedaagde] betaalde dienovereenkomstig per 16 februari 2010 nog € 1 182,86, de optelsom van de twee genoemde erkende kostenposten buiten de dekking van de verzekering.
- Na veel vruchteloos heen en weer schrijven met diverse externe ‘adviseurs’ van Yarden (die steeds van niets wisten) heeft de directeur van Yarden per brief van 24 oktober 2013 aan [gedaagde] alsnog - maar zeer ten dele - haar ongelijk erkend: de brieven van 31 januari 2010 en 15 februari 2010, waarvan de ontvangst steeds bestreden was, bleken ‘
- [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod om door betaling van € 2 000,00 voor 1 december 2013 het geschil te regelen, omdat hij zich niets schuldig acht.
ongeacht de kosten van dat pakket’(cursivering kantonrechter). In redelijkheid valt hierin met de beste wil van de wereld niet de bedoeling te lezen dat de verzekeraar een vast bedrag (‘verzekerde som’) garandeert. Wel wordt de verzekerden een per die datum gefixeerd pakket (zonder verdere uitbreidingen na 31 december 2006) beloofd, ongeacht de kostenstijgingen die zich ten aanzien van de gegarandeerde zaken, voorzieningen en diensten nadien voor mochten doen. In plaats van een opsomming, liefst op basis van reeds in 2007 aan haar verzekerden gedane opgaven van het aldus per 1 januari 2007 normbepalende pakket (dus niet dat van november 2004 dat [gedaagde] noodgedwongen ter vergelijking hanteerde, kennelijk omdat hem of zijn moeder niet een actueler overzicht beschikbaar gesteld was), put Yarden zich in deze procedure uit in omzichtige redeneringen die steeds uitgaan van bedragen in plaats van gegarandeerde rechten (zaken, voorzieningen en diensten in soorten en aantallen). Een vergelijking van het gegarandeerde pakket en de inhoud van de uitvaartopdracht van november 2009 als enig aanvaardbare basis van een kostenopstelling is niet gemaakt, althans niet in het geding gebracht. Yarden besteedt in haar repliek wel aandacht aan diverse door [gedaagde] betwiste afzonderlijke kostenposten, maar gaat grotendeels voorbij aan de beslissende hoofdvraag hoe in de nota de kosten van de uitvaart van 10 november 2009 gerelateerd zijn aan de actuele waarde / kostprijs van het pakket rechten zoals dit per datum 1 januari 2007 naar inhoud en niet naar prijs gegarandeerd was.