Eiser heeft een legesaanslag van €5,10 opgelegd gekregen door verweerder voor het verstrekken van kopieën in het kader van een Wob-verzoek. Eiser stelde dat hij vooraf geïnformeerd had moeten worden over de kosten en dat volgens jurisprudentie geen leges in rekening mogen worden gebracht bij Wob-verzoeken.
De rechtbank oordeelt dat uit het Wob-verzoek niet blijkt dat eiser het verstrekken van informatie afhankelijk wilde maken van een voorafgaande kostenopgave, waardoor het niet onrechtmatig is dat verweerder geen kostenopgave heeft gedaan. Daarnaast zijn volgens de geldende legesverordening leges verschuldigd voor het verstrekken van kopieën.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat kopiekosten niet in rekening mogen worden gebracht; enkel de daadwerkelijke kopieerkosten inclusief arbeidskosten van de kopiërende ambtenaar mogen worden doorberekend, niet de kosten voor opzoeken en opbergen van stukken. Het gehanteerde tarief van €0,30 per kopie is volgens de rechtbank redelijk en sluit aan bij jurisprudentie.
Ook is er geen sprake van dubbele kosten, omdat de kopieën verschillen in zichtbaarheid van een identiteitsbewijs. Tot slot mocht verweerder de informatie in papieren kopie verstrekken omdat digitalisering onredelijk extra werk en kosten zou veroorzaken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.