Uitspraak
gemachtigde mr. B.M.M. Custers, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Roermond
Rechtbank Limburg
De werkneemster was sinds 1996 werkzaam bij Pilkington en kreeg in 2012 te maken met een bedrijfseconomische reorganisatie. Pilkington vroeg en verkreeg toestemming van het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. De werkneemster weigerde een passende functie in Venlo en tekende geen vaststellingsovereenkomst.
Zij vorderde vervolgens een verklaring voor recht dat de opzegging kennelijk onredelijk was en een schadevergoeding van ruim € 91.000 bruto. De kantonrechter toetste de opzegging aan het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 BW Pro en concludeerde dat Pilkington een zwaarwegend belang had bij de beëindiging en dat de werkneemster voldoende voorzieningen had ontvangen, waaronder een sociaal plan, een doorwerkbonus, loonbehoud tijdens vrijstelling en een outplacementtraject dat zij zelf niet heeft gevolgd.
De aangeboden functie werd als passend beoordeeld en de werkneemster had onvoldoende gemotiveerd waarom deze niet geschikt was. De kantonrechter vond dat Pilkington zich als goed werkgever had gedragen en dat de vorderingen daarom moesten worden afgewezen. De werkneemster werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van de werkneemster wegens kennelijk onredelijke opzegging worden afgewezen.