ECLI:NL:RBLIM:2015:3447

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2015
Publicatiedatum
22 april 2015
Zaaknummer
4007259 CV EXPL 15-3196
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering onverschuldigde betaling na vernietiging vonnis hof

In deze zaak vordert eiseres terugbetaling van een bedrag dat zij onverschuldigd aan gedaagde heeft betaald. Dit volgt op een eerder vonnis van de rechtbank waarbij gedaagde tot betaling werd veroordeeld, maar dat vonnis werd vernietigd door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof veroordeelde eiseres tot betaling van een lager bedrag dan door de rechtbank was vastgesteld.

Eiseres had na het oorspronkelijke vonnis meer betaald dan het bedrag dat het hof uiteindelijk toewijst. Zij vordert nu in kort geding terugbetaling van het teveel betaalde bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. Gedaagde voerde verweer, maar het spoedeisend belang van eiseres werd voldoende aannemelijk gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat met redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen. De financiële situatie van gedaagde doet hieraan niet af. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot terugbetaling van € 4.109,74 plus rente en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling van € 4.109,74 plus wettelijke rente vanaf 19 oktober 2012.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht
Zaaknummer: 4007259 CV EXPL 15-3196
Vonnis in kort geding van 22 april 2015
in de zaak van
[eiseres],
wonend te [woonplaats],
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.J.M. Goltstein
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats],
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. Y. Kunze.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het exploot van dagvaarding d.d. 7 april 2015
  • de van de zijde van [gedaagde] voorafgaand aan de zitting ingebrachte producties
  • de mondelinge behandeling van de zitting op 20 april 2015.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 8 augustus 2012 met registratienummer 99997 HA ZA 05-276 met [eiseres] als eisende partij en [gedaagde] als gedaagde, is [gedaagde] veroordeeld om - voor zover hier van belang - € 17.189,33 aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 11.212,30 vanaf 18 mei 2005 tot aan de dag van voldoening.
2.2.
Naar aanleiding van dat vonnis heeft [eiseres] op 12 oktober 2012 € 15.000,00 aan [gedaagde] betaald, en een paar dagen later op 19 oktober 2012 nog eens € 5.811,27, in totaal derhalve € 20.811,27.
2.3.
[eiseres] heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis, waarna het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 20 januari 2015 met registratienummer HD. 200.114.501/01 voornoemd vonnis heeft vernietigd en [eiseres] veroordeeld heeft om een lager bedrag aan [gedaagde] te betalen, te weten € 13.539,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.606,78 vanaf 18 mei 2005 tot aan de dag van voldoening.

3.De vordering en het geschil

3.1.
Bij voormeld exploot vordert [eiseres] de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.168,54, subsidiair € 4.109,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2012, een en ander onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] beroept zich op genoemd arrest. [eiseres] berekent de wettelijke rente over 9.606,78 over de periode van 18 mei 2005 tot 19 oktober 2012 op € 3.103,30, [gedaagde] heeft die op € 3.162,10 becijferd. [eiseres] heeft derhalve - achteraf bezien - € 4.168,54 dan wel € 4.109,74 onverschuldigd aan [gedaagde] betaald.
3.3.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisende belang is door [eiseres] ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt.
4.2.
Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient met een redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze - of een vergelijkbare - vordering zal slagen. Bij deze beoordeling kan dus slechts een voorlopig oordeel worden gegeven en die beoordeling moet geschieden op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.
4.3.
Gelet op de inhoud van voornoemd arrest, in combinatie met de naar omvang onbetwiste betalingen van [eiseres] op 12 en 19 oktober 2012, is voornoemde redelijke mate van zekerheid (meer dan) voldoende aanwezig. Dat [gedaagde] naar eigen zeggen in een financieel moeilijke situatie verkeert, doet - wat daar ook verder van zij - niet af aan de terugbetalingsverplichting van hetgeen [eiseres] onverschuldigd aan hem heeft betaald.
De gevorderde voorziening zal derhalve toegewezen worden, waarbij - zoals ter zitting reeds is toegelicht - uitgegaan zal worden van het bedrag van € 4.109,74.
4.4.
De proceskosten zullen - zoals ter zitting eveneens reeds is toegelicht - worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] € 4.109,74 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2012,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.
RK