Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
De rechtbank is van oordeel dat deze korte tijdspanne(s), zowel binnen in het halletje als erna buiten, gezien ook in de context van de eerdere agressie van verdachte jegens [slachtoffer] , te kort zijn om te kunnen spreken van voorbedachte raad bij verdachte op wat hij vervolgens gaat doen. Temeer nu verdachtes aandacht in die korte tijdspannes telkens door een buiten verdachte gelegen omstandigheid werd afgeleid – en daarmee in beslag genomen – kan niet worden vastgesteld dat hij zich in die tijd ook op zijn handelen heeft kunnen beraden.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte
doodslag.
5.De maatregel en de straf
Door de wrede wijze waarop verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, is sprake van een bijzonder ernstige vorm van doodslag en zinloos geweld. De rechtbank weegt verder mee dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsmisdrijven is veroordeeld. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen op zichzelf reeds een langdurige gevangenisstraf.
6.De benadeelde partij
[benadeelde partij] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
ter beschikking zal worden gestelden beveelt dat hij
van overheidswege zal worden verpleegd;
- bepaalt dat de vordering van de
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.
mr. C.M.W. Nobis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 november 2015.