Eiser ontving uitkeringen op grond van de Ziektewet en Werkloosheidswet en had een schuld aan verweerder wegens teveel ontvangen WW-uitkering. Verweerder stelde bij besluit van 12 november 2014 de beslagvrije voet vast zonder rekening te houden met de alimentatieverplichting van eiser. Eiser verzocht vervolgens om verhoging van de beslagvrije voet met terugwerkende kracht vanaf 2013, de datum waarop verweerder bekend was met de alimentatieverplichting.
Verweerder verhoogde bij besluit van 14 april 2015 de beslagvrije voet met ingang van die datum, maar weigerde terugwerkende kracht toe te passen. De rechtbank stelt vast dat een bestuursorgaan bevoegd is om een eerder besluit te heroverwegen, ook als dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden, maar dat deze heroverweging zich in beginsel beperkt tot de toekomst en niet kan leiden tot een rechterlijke toetsing van het oorspronkelijke besluit.
De rechtbank oordeelt dat de alimentatieverplichting geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt en dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De beroepsgronden van eiser slagen niet en het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank wijst ook op de beperkte toetsingsruimte van de bestuursrechter in dit soort zaken en sluit de beoordeling van te laat ingediende stukken uit.