Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
mr. G.L.A.M. van Doveren,advocaat te Tilburg, raadsman van verdachte,
- mr. V.P. van Deventer, voorzitter,
- mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester en
- mr. P.M.S. Dijks, leden.
Rechtbank Limburg
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg na de afwijzing van een verzoek tot toevoeging in een strafzaak. Verzoeker stelde dat de weigering niet passend was gemotiveerd en dat daarmee artikel 6 EVRM Pro werd geschonden, wat de schijn van vooringenomenheid zou wekken.
De rechters gaven schriftelijk en mondeling reactie, waarbij zij stelden dat de afwijzing een procedurele beslissing betrof en dat tegen de weigering van de Raad voor de Rechtsbijstand een aparte beroepsgang openstond. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van het subjectieve en objectieve criterium van rechterlijke onpartijdigheid.
Er werden geen feiten of omstandigheden gesteld die subjectieve partijdigheid konden aantonen. Ook objectief was er geen sprake van gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of schijn daarvan. De meervoudige kamer had een inhoudelijke en begrijpelijke beslissing genomen. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen.
De beslissing werd uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Limburg op 22 februari 2016, bestaande uit voorzitter P.H.M. Kuster en leden J.W. Rijksen en R.A.J. van Leeuwen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de meervoudige kamer wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.