Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreektde verdachte
vrijvan het tenlastegelegde.
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde op 12 april 2016 de zaak tegen een verdachte met de Poolse nationaliteit die werd vervolgd wegens verblijf in Nederland als ongewenst vreemdeling. De tenlastelegging was gebaseerd op artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd op 31 januari 2016 aangetroffen in Heerlen terwijl hij volgens een beschikking uit 2010 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte als EU-burger valt onder Richtlijn 2004/38/EG, die het recht op vrij verkeer en verblijf regelt. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie is een beperking van dit recht alleen toegestaan indien sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit vereist ook een neiging tot voortzetting van het gedrag.
Uit de justitiële documentatie bleek dat de verdachte sinds zijn ongewenstverklaring in 2010 slechts enkele keren werd veroordeeld, waarvan één veroordeling niet onherroepelijk was. De rechtbank concludeerde dat dit onvoldoende is om te stellen dat de verdachte in 2016 een dergelijke bedreiging vormde. Daarom weegt het recht op vrij verkeer zwaarder dan het mogelijke gevaar voor de openbare orde.
De rechtbank verklaarde dat de term "ongewenst vreemdeling" in artikel 197 Sr Pro niet van toepassing is indien de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende EU-bepalingen. Omdat aan het EU-openbare orde criterium niet werd voldaan, sprak de rechtbank de verdachte vrij van het ten laste gelegde.
Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken omdat niet is vastgesteld dat hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormde volgens EU-recht.