ECLI:NL:PHR:2010:BL2854
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid OM bij vervolging ongewenst verklaarde vreemdeling in strijd met Europees recht
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie centraal bij de vervolging van een verdachte die als vreemdeling was verklaard en ondanks een onherroepelijke beschikking tot ongewenstverklaring in Nederland verbleef. De verdachte werd onder meer vervolgd voor bedreiging en het verblijven als ongewenst vreemdeling op grond van art. 197 Sr Pro.
De verdediging voerde aan dat de beschikking tot ongewenstverklaring in strijd was met rechtstreeks werkende bepalingen van het Europese gemeenschapsrecht, met name de richtlijnen 64/221/EEG en 2004/38/EG, en dat het OM daarom niet ontvankelijk had mogen zijn. Het hof verwierp dit verweer op basis van het beginsel van formele rechtskracht van bestuursrechtelijke besluiten.
De Hoge Raad stelde dat het hof op grond van art. 358 lid 3 jo Pro. art. 359 lid 2 Sv Pro uitdrukkelijk en gemotiveerd had moeten beslissen over het verweer dat het OM in strijd met een interne richtlijn had gehandeld. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit niet voldoende had gedaan en dat het verweer ten onrechte was verworpen. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat het beginsel van formele rechtskracht niet absoluut is en dat uitzonderingen mogelijk zijn indien de beschikking evident in strijd is met het EG-recht.
De Hoge Raad concludeerde dat de vervolging op grond van art. 197 Sr Pro een rechtsgeldige ongewenstverklaring veronderstelt, maar dat in gevallen van strijd met het EG-recht een ruimere uitzondering op formele rechtskracht moet worden aanvaard. De zaak werd vernietigd voor zover het betrof het feit van het verblijven als ongewenst vreemdeling, en verwezen voor verdere beslissing. Het middel dat betrof de bedreiging faalde.
Uitkomst: De vervolging wegens verblijf als ongewenst vreemdeling werd vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde ontvankelijkheid en strijd met Europees recht.