Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het op 29 januari 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift
- de op 21 april 2016 gehouden mondelinge behandeling
.
2.De feiten en het verzoek
3.De beoordeling
4.De beslissing
coll:
Rechtbank Limburg
Werknemer trad in juli 2012 in dienst bij werkgever, een BV, als algeheel kantoormedewerkster. Zij is tevens de echtgenote van de directeur en aandeelhouder van de werkgever. Na een herseninfarct van de directeur in oktober 2015, waarbij nieuwe bestuurders werden aangesteld, werd de loonbetaling aan werknemer opgeschort en werd de arbeidsovereenkomst opgezegd met een opzegtermijn van twee maanden. Werknemer meldde zich ziek en bezocht de bedrijfsarts.
Werknemer verzocht vernietiging van de opzegging wegens strijd met artikel 7:671 BW Pro en vordering van loonbetaling. Werkgever betwistte het bestaan van een arbeidsovereenkomst, stellende dat werknemer geen arbeid verrichtte en geen gezagsverhouding bestond. De kantonrechter overwoog dat ondanks de bijzondere situatie en beperkte werkzaamheden, sprake was van een arbeidsovereenkomst vanwege de duur, verplichting tot arbeid en gezagsverhouding.
De opzegging werd onrechtmatig geoordeeld omdat geen ontslaggrond was vastgesteld en werknemer tijdig bezwaar maakte. De kantonrechter vernietigde de opzegging, veroordeelde werkgever tot doorbetaling van loon over november en december 2015 en daarna tot het reguliere einde van de arbeidsovereenkomst, inclusief een gematigde wettelijke verhoging. Proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De opzegging van de arbeidsovereenkomst is vernietigd en werkgever is veroordeeld tot doorbetaling van loon en wettelijke verhoging.