Eiser trad in 2002 in dienst bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en werd in 2011 aangesteld als complexbeveiliger. In januari 2014 werden de functie-eisen verzwaard, waaronder het behalen van een vuurwapen- en vervoersopleiding. Ondanks meerdere gesprekken en verbeterafspraken over functioneren op het gebied van samenwerken, communicatie, initiatief en zelfreflectie, bleef verbetering uit.
Eiser werd in maart 2015 eervol ontslagen wegens ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, omdat hij niet voldeed aan de gestelde functie-eisen. Hij maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit. De rechtbank constateerde dat eiser sinds 2011 regelmatig op zijn functioneren was aangesproken en meerdere kansen had gekregen, waaronder het volgen van verplichte opleidingen, die hij niet succesvol afrondde.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag terecht was omdat eiser niet beschikte over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling om zijn functie naar behoren te vervullen. Het verzoek om een laatste verbeterkans werd afgewezen omdat eerdere kansen niet tot verbetering hadden geleid. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.