ECLI:NL:CRVB:2016:1548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens functieongeschiktheid door houding en gedrag werknemer
Appellante was sinds 1999 secretaresse bij een overheidsdienst en werd in 2003 ontslagen wegens ongeschiktheid, maar dit ontslag werd in 2006 herroepen vanwege ziekte. Na gedeeltelijke hervatting bleef volledige functievervulling uit. Diverse bezwaar- en klachtprocedures volgden over de financiële afhandeling van het herroepen ontslag.
Medische rapporten gaven aan dat terugkeer naar de oorspronkelijke werkgever stressvol was en dat duurzame re-integratie niet te verwachten viel. Een passende functie buiten de oorspronkelijke dienst werd aangeboden, maar de detachering bij een andere dienst mislukte vanwege appellantes opstelling en wantrouwen.
De minister verleende uiteindelijk ontslag op grond van onbekwaamheid en ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De Raad oordeelde dat appellantes houding en gedrag haar ongeschikt maakten voor haar functie, waarbij haar preoccupatie met eigen rechten en wantrouwen jegens de werkgever de werkrelatie ernstig verstoorden.
Het standpunt van appellante dat zij recht had op klachtenprocedures werd verworpen omdat haar gedrag de taakvervulling en werkrelatie belemmerde. Ook werd geoordeeld dat voldoende verbeterkansen waren geboden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het ontslag bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag wegens functieongeschiktheid bevestigd.