Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
doden.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
uitsluitendat hiervan sprake is, maar door het ontbreken van medewerking van de verdachte aan het onderzoek hebben zij te weinig informatie om hierover conclusies te kunnen trekken. Om diezelfde reden hebben zij niet kunnen nagaan of er sprake is van een mogelijke doorwerking van eventuele psychopathologie in het tenlastegelegde.
6.De straf
lachtevanuit haar auto. Het is te absurd voor woorden dat de verdachte hierin aanleiding ziet om met een vuurwapen van een zwaar kaliber te schieten op die [slachtoffer 2] – die hij kende en waarvan hij wist dat zij vijf kinderen had, en op [slachtoffer 1] , nota bene de moeder van zijn kind.
7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
Echter, gelet op de aard en de ernst van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde feit, acht de rechtbank wel aangetoond dat er sprake is van een aantasting van de persoon, zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Ondanks dat de omvang van die aantasting thans niet vastgesteld kan worden, acht de rechtbank wel het toekennen van smartengeld op zijn plaats. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt de immateriële schade naar redelijkheid vast op een bedrag van € 7.500,00. Zij zal [slachtoffer 1] in het meerdere van haar vordering betreffende de post smartengeld niet-ontvankelijk verklaren. Ook ten aanzien van deze post bepaalt de rechtbank dat [slachtoffer 1] dit specifieke deel van haar vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 2 03/866191-16 tot een gevangenisstraf van acht jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , wonende te [G.] , van € 6.714,08 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 september 2015 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 6.714,08 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 68 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , adres bekend bij haar raadsvrouw, van € 7.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 september 2015 tot aan de dag van volledige voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in de posten verhuiskosten en juridische kosten niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband met het schadeveroorzakende feit;
- verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de overige kostenposten en het meerdere van het gevorderde smartengeld niet-ontvankelijk en bepaalt dat dat gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 7.500,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 72 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
16 augustus 2016.