Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
verwerende partij in het verzoek.
Rechtbank Limburg
De werkgever [X] verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer op grond van ernstig verwijtbaar handelen en subsidiair een verstoorde arbeidsrelatie. De werknemer kreeg na een organisatieverandering en nieuwe leidinggevende twee officiële waarschuwingen voor het aannemen van personeel zonder toestemming en het niet naleven van roosterafspraken. De werknemer werd arbeidsongeschikt door een medische aandoening en er ontstond discussie over re-integratieverplichtingen.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer sinds indiensttreding goed had gefunctioneerd en dat de overtredingen begrijpelijk waren in het licht van de organisatieveranderingen en het nieuwe management. De werkgever had onvoldoende begeleiding en aanpassingstijd geboden. De verwijten waren niet ernstig genoeg om ontbinding te rechtvaardigen.
Ook de subsidiaire grond van een verstoorde arbeidsrelatie faalde omdat er geen sprake was van een ernstige en duurzame verstoring. Het mediationtraject was nog niet gestart en de werkgever had zelf bijgedragen aan de situatie door een harde aanpak zonder verbetertraject. De ontbindingsverzoeken werden afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen; werkgever veroordeeld in proceskosten.