Uitspraak
18.Het beroep is ongegrond.
19.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.
Rechtbank Limburg
Eiser ontving kinderbijslag voor zijn minderjarige kinderen die in Egypte woonden. Verweerder beëindigde het recht op kinderbijslag per het derde kwartaal van 2015 op grond van een wetswijziging die kinderbijslag beperkt tot kinderen woonachtig in Nederland, de EU, EER of Zwitserland.
Eiser stelde dat deze beëindiging in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, het EVRM en het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het onderscheid in kinderbijslag gerechtvaardigd is door bilaterale verdragen, waaronder het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Egypte, en dat er geen sprake is van verboden discriminatie.
De rechtbank benadrukte dat het doel van de wet is om export van kinderbijslag te beperken en dat dit een legitiem en proportioneel doel is. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat nieuwe regels in principe ook op bestaande gevallen van toepassing zijn, met een overgangsperiode van zes maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het bestreden besluit in stand blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het recht op kinderbijslag voor in Egypte woonachtige kinderen is ongegrond verklaard.