Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
- is gebleken dat de dagvaarding geldig is;
- is voorts gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;
- zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
4.De beoordeling van het bewijs
papa, auw’. Toen [pleegmoeder slachtoffer] aan [slachtoffer] vroeg of papa hem had geschopt, bevestigde [slachtoffer] dit. Uit het dossier blijkt dat verdachte door [slachtoffer] ‘papa’ werd genoemd. Naar het oordeel van de officier van justitie kan deze verklaring als betrouwbaar worden aangemerkt, nu [slachtoffer] een gedetailleerde verklaring tegenover [pleegmoeder slachtoffer] heeft afgelegd en [pleegmoeder slachtoffer] zich tijdens dit gesprek integer heeft opgesteld. Voorts heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat uit het procesdossier naar voren komt dat verdachte vaker agressief gedrag jegens [slachtoffer] vertoonde. Ten aanzien van de door de verdediging geschetste alternatieve scenario’s heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze niet waarschijnlijk zijn.
Alternatief scenario 1: [moeder slachtoffer] heeft het letsel aan [slachtoffer] toegebracht op het moment dat zij hem naar bed heeft gebracht.
- een forse zwelling van de rechterzijde van het hoofd (voor- en zijkant, rechts meer dan links);
- wondjes aan de binnenkant van de onderlip, tevens tongbeet;
- verse en oude hematomen (onderhuidse bloeduitstortingen) op:
- wondjes rechts op scrotum;
- onderhuidse bloeduitstortingen, wondjes en roodheid beide enkels/voeten.
- afwijkingen passend bij een acute subdurale bloeding (een bloeding tussen het harde hersenvlies en de hersenen) aan de rechtervoorzijde (9 mm), doorlopend tot in de middelste schedelgroeve. Verschuiving van de middellijn van de hersenen van ongeveer 4 mm;
- een breuk in het schedeldak aan de rechterzijde (voor- en zijkant).
niet-accidentele toedrachtdan bij een voorval met een
accidentele toedracht. [14]
Hypothese 1b: de bevindingen bij [slachtoffer] op en na 11 februari 2016 kunnen niet worden verklaard op basis van een val, zoals gesuggereerd door het door moeder beschreven incident.
hypothese 1auitgesloten is.
De bevindingen bij [slachtoffer] kunnen volgens hem niet worden verklaard op basis van een dergelijke val. Immers, als [slachtoffer] was gevallen, omdat/nadat hij op de door [moeder slachtoffer] beschreven manier klem zat/kwam te zitten tussen de verwarmingsbuizen, dan is er sprake van een val van beperkte hoogte. Bij een dergelijke val zal een kind achterover of zijwaarts vallen en vermoedelijk eerst op een ander lichaamsdeel, bijvoorbeeld billen of schouder landen, waarna het kind kan ‘doorvallen’ en met het hoofd op de vloer kan terechtkomen. Door de vermoedelijke val op het andere lichaamsdeel is de snelheid uit de val en zal de val mogelijk wel tot pijn en letsel (bijvoorbeeld onderhuidse bloeduitstortingen of subgaleale bloedingen) leiden (deceleratietrauma), maar er zal geen sprake zijn van de combinatie van min of meer ernstige letsels, zoals deze op en na 11 februari 2016 bij [slachtoffer] zijn aangetroffen (subgaleale bloeding, subdurale bloedingen en schedelbreuk in 2 schedelbotten).
hypothese 2buitgesloten. [15]
Van complicerende factoren of bestaande aandoeningen, zo blijkt uit de bevindingen van
drs. R.A.C. Bilo is niet gebleken of aannemelijk geworden. Een ongeval als over verklaard is uitgesloten. Een eventueel ander ongeval is niet gebleken of aannemelijk geworden. Dat betekent ook dat het door de verdediging geschetste
scenario 3, inhoudende dat [slachtoffer] het letsel door een ongeval heeft opgelopen, moet worden verworpen.
Scenario 2dient derhalve eveneens te worden verworpen.
niet’. De rechtbank acht het opmerkelijk dat verdachte tijdens dit verhoor niet heeft verklaard dat de achterdeur afgesloten was en hij de woning niet kón betreden. Een maand later stelt de verdachte zijn verklaring bij en verklaart hij dat hij de woning niet in kon omdat de achterdeur was afgesloten. Als dit het geval was geweest, vermag de rechtbank niet in te zien waarom de verdachte dat niet meteen in zijn eerste verhoor heeft verklaard. Daar komt nog bij dat verdachte volgens [moeder slachtoffer] ook een sleutel had van de achterdeur. [22] Dat laatste is niet onaannemelijk omdat verdachte vanaf eind 2015 bij [moeder slachtoffer] verbleef.
Het letsel bij [slachtoffer] moet derhalve zijn toegebracht in de tijdspanne dat verdachte alleen met [slachtoffer] in de woning is geweest. Dat betekent ook dat het verdachte is geweest die het letsel aan het hoofd van [slachtoffer] heeft toegebracht door handelen waarbij sprake is geweest van heftige stomp botsende krachtsinwerking op diens hoofdje. De rechtbank kan niet vaststellen op welke wijze het letsel bij [slachtoffer] is toegebracht. Verdachte heeft over de precieze toedracht geen verklaring afgelegd. Dat de rechtbank niet de exacte toedracht kan vaststellen, doet echter in de onderhavige zaak aan de bewezenverklaring naar het oordeel van de rechtbank niet af.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf en/of de maatregel
Verdachte heeft zich nadat hij het kind het zware letsel had toegebracht, verder niet meer om het welzijn van het kind bekommerd. Hij is naar beneden gegaan en heeft [slachtoffer] aan zijn lot overgelaten. Toen [moeder slachtoffer] thuiskwam, heeft verdachte niets tegen haar gezegd. Het is omdat [moeder slachtoffer] [slachtoffer] hoorde huilen, dat zij naar zijn slaapkamer is gegaan om te kijken wat er aan de hand was. Zij trof [slachtoffer] aan, liggend op zijn linkerzij op de grond, in zijn boxershort en met één sok aan. Over en om [slachtoffer] heen lag braaksel en zijn voetje zat tussen de verwarmingsbuizen. Het feit dat [slachtoffer] op dat moment slechts nog zijn onderbroek en één sok aanhad, terwijl [moeder slachtoffer] hem met kleren aan in bed had gelegd en [slachtoffer] motorisch niet in staat was zichzelf uit te kleden [23] , roept de nodige vragen op. De aangetroffen situatie schreeuwt om een verklaring, maar die heeft verdachte niet gegeven.
Ten slotte stelt de rechtbank vast dat de verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen. De rechtbank neemt ook dit de verdachte kwalijk.
8.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
‘ziekenhuisgeldvergoeding’voor toewijzing vatbaar is. De schadepost ‘
reiskosten Bureau Jeugdzorg’ dient te worden afgewezen, nu het niet alleen aan verdachte te wijten is dat [slachtoffer] en zijn zusje uit huis zijn geplaatst en zijn moeder kosten heeft moeten maken om Bureau Jeugdzorg te bezoeken. De vordering tot immateriële schadevergoeding acht de officier van justitie geheel toewijsbaar, met dien verstande dat Bureau Jeugdzorg wordt belast met het toezicht op dit geldbedrag om te zorgen dat dit geheel ten goede van [slachtoffer] zal komen. De officier van justitie heeft voorts de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
reiskosten Bureau Jeugdzorg’
ziekenhuisgeldvergoeding’ refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
‘ziekenhuisgeldvergoeding’. Dit zijn kosten die [slachtoffer] , ook wanneer hij ze zelf had gemaakt, kan vorderen en deze kan hij dus ook nu zelf vorderen (Hoge Raad 5 december 2008, NJ 2009, 387). De rechtbank zal deze schadepost dan ook toewijzen. De schadepost ‘
reiskosten Bureau Jeugdzorg’ zal de rechtbank afwijzen, nu naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks verband bestaat tussen de reiskosten die de moeder van [slachtoffer] heeft gemaakt om te gaan naar Bureau Jeugdzorg en het tenlastegelegde. De rechtbank verwijst in dit verband naar de beschikking machtiging uithuisplaatsing van de rechtbank Limburg van
1 maart 2016, waaruit blijkt dat onderhavig delict niet de enige reden is geweest voor de uithuisplaatsing van [slachtoffer] .
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
wijstde vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer], vertegenwoordigd door [moeder slachtoffer] , p/a Daamen Advocaten, t.a.v. mr. J.W.E. Luiten,
gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen
ad € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 11 februari 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- gelastdat het
bedrag aan immateriële schade, € 4.000,00,te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 11 februari 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening wordt gestort op een (derden)bankrekening ten behoeve van
[slachtoffer]van Bureau Jeugdzorg, die door Bureau Jeugdzorg zal worden beheerd; - wijstde vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost ‘
reiskosten Bureau Jeugdzorg’
af; - verklaartde benadeelde partij
niet-ontvankelijkin haar vordering ten aanzien van het meer gevorderde aan immateriële schade; - veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de
- gelastdat ook bij betaling aan de staat het
bedrag aan immateriële schade € 4.000,00,te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 11 februari 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening wordt gestort op een (derden)bankrekening ten behoeve van
[slachtoffer]van Bureau Jeugdzorg, die door Bureau Jeugdzorg zal worden beheerd; - bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.