ECLI:NL:RBLIM:2017:2015

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 maart 2017
Publicatiedatum
3 maart 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1022
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 JeugdwetArt. 2.9 JeugdwetArt. 3 Internationaal KinderrechtenverdragArt. 3 Nadere regels jeugdrechtArt. 6 Verordening jeugdhulp gemeente Onderbanken 2015
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit gemeente over persoonsgebonden budget kortdurend verblijf jeugdige

De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de gemeente Onderbanken om het persoonsgebonden budget (pgb) voor kortdurend verblijf (KVB) aan een jeugdige te beperken tot 12 uur per week. De jeugdige verblijft in het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij een begeleider en heeft gedurende die tijd intensieve begeleiding nodig. De ouders en gemachtigden voeren aan dat het toegekende aantal uren onvoldoende is en dat de gemeente onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet wordt uitgegaan van 32 uur KVB.

De rechtbank stelt vast dat de gemeente bij het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de jeugdige niet in aanmerking komt voor 32 uur KVB, zoals dat vóór de inwerkingtreding van de Jeugdwet in januari 2015 het geval was. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak en verklaart het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de gemeente wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de gemeente tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van de jeugdige. De uitspraak is gedaan door rechter E.P.J. Rutten en griffier I.M.T. Wijnands op 3 maart 2017. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de gemeente wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 16/1022

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2017 in de zaak tussen

[naam jeugdige] , te [woonplaats] , eiser,

wettelijk vertegenwoordigd door [namen ouders] ,
(gemachtigde: mr. E.L.M. van Montfort-Hendriks),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Onderbanken, verweerder
(gemachtigden: mr. I. Vromen en [naam 1] ).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser individuele voorzieningen op grond van de Jeugdwet toegekend. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016.
Voor eiser is verschenen mr. J. Godart, waarnemend voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met kenmerk 15/2817. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt apart uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Op hulpvraag van de ouders van [naam jeugdige] , geboren op 29 september 1999, is door verweerder in overleg met de ouders een ondersteuningsplan opgesteld, waarin tevens een aanvraag om toekenning van persoonsgebonden budgetten (pgb’s) voor 10 uur per week begeleiding individueel (BGI) door de ouders en 12 uur per week kortdurend verblijf (KVB) uitgevoerd door iemand vanuit het sociaal netwerk is opgenomen.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder voor de periode van 8 september 2015 tot en met 31 december 2015 een pgb voor 10 uur BGI ter hoogte van € 2.166,93 en een pgb voor 12 uur KVB ter hoogte van € 2.600,31 toegekend. Met betrekking tot de verschuldigde ouderbijdrage heeft verweerder medegedeeld dat de ouders hierover apart bericht zullen ontvangen.
3. In bezwaar is – kort samengevat – aangegeven dat het toegekende pgb voor KVB, alsmede het uurtarief voor zowel vader als mevrouw [naam 2] te laag zijn vastgesteld.
4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit – voor zover relevant - op het standpunt dat het ten aanzien van het KVB moeilijk is om het aantal uren heel concreet te verantwoorden en dat er daarom is uitgegaan van maatwerk waarbij diverse facetten zijn afgewogen om tot een juiste beslissing te komen. Voor wat betreft de hoogte van het uurtarief wordt verwezen naar artikel 3, vierde lid, van de Nadere regels jeugdrecht (Nadere regels).
5. In beroep is aangevoerd dat van het begin af aan bezwaar is gemaakt tegen het aantal uren begeleiding (10) en kortdurend verblijf (12) zoals opgenomen in het ondersteuningsplan. Met de geïndiceerde 10 uur voor BGI door vader kunnen de ouders zich uiteindelijk wel verenigen, maar dit geldt niet voor de toegekende 12 uur KVB. [naam jeugdige] verblijft (nog steeds) bij mevrouw [naam 2] van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur en heeft gedurende het hele weekend bij iedere activiteit begeleiding nodig. Dit geldt voor persoonlijke verzorging, hulp bij psychische problemen, het vergroten van zelfredzaamheid, het zelfstandig functioneren en het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Door slechts 12 uur KVB toe te kennen handelt verweerder in strijd met artikel 3 van Pro het Internationaal Kinderrechtenverdrag en is er sprake van schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Tot slot wordt gesteld dat de heer [naam 1] niet deskundig is als bedoeld in artikel 6 van Pro de Verordening jeugdhulp gemeente Onderbanken 2015 (de Verordening).
6. Met ingang van 1 januari 2015 is de Jeugdwet in werking getreden. In het kader hiervan heeft verweerder op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet de Verordening (zoals vermeld onder 5.) vastgesteld, die op 1 januari 2015 in werking is getreden. Daarnaast heeft verweerder op grond van de Verordening de Nadere regels (zoals vermeld onder 4.) vastgesteld, die eveneens op 1 januari 2015 in werking zijn getreden. Deze regelgeving heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.
7. Op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet treft het college indien naar haar oordeel een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedings-problemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
8. De rechtbank stelt vast dat deze zaak betrekking heeft op de periode volgend op de periode die in geding was in de zaak met kenmerk 15/2817. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder wederom niet heeft gemotiveerd c.q. inzichtelijk heeft gemaakt waarom [naam jeugdige] niet in aanmerking komt voor de gevraagde 32 uur KVB. Onder verwijzing naar de uitspraak van heden in genoemde zaak met kenmerk 15/2817 ( en met name overweging 10) verklaart de rechtbank ook dit beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Aan een bespreking van de overige gronden komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
10. Gelet op de proceskostenveroordeling in de (met deze zaak gevoegd behandelde) zaak met kenmerk 15/2817 stelt de rechtbank de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990,- (1 punt voor de hoorzitting in bezwaar en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 495,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 3 maart 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.