Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het tussen partijen gewezen vonnis van 1 maart 2017,
- de akte van [gedaagde partij] ,
- de akte van Woonpunt.
Rechtbank Limburg
In deze civiele procedure vordert Stichting Woonpunt vergoeding van kosten wegens gebreken aan het gehuurde na afloop van de huurovereenkomst. Bij aanvang van de huur is geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt, waardoor op grond van artikel 7:224 BW Pro wordt verondersteld dat de huurder het gehuurde in dezelfde staat heeft ontvangen als bij het einde van de huur.
De verhuurder heeft de mogelijkheid gekregen bewijs te leveren dat het gehuurde bij aanvang in een betere staat verkeerde dan bij het einde van de huur, maar heeft hiervan afgezien en geen getuigen of andere bewijsstukken ingebracht. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de gebreken voor rekening van de huurder komen.
De kantonrechter oordeelt daarom dat onvoldoende grondslag bestaat voor toewijzing van de vordering en wijst deze af. Woonpunt wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde partij, begroot op €350.
Het vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering van verhuurder Woonpunt wordt afgewezen wegens het ontbreken van bewijs dat het gehuurde bij aanvang in betere staat verkeerde dan bij het einde van de huur.