ECLI:NL:RBLIM:2017:4501

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 mei 2017
Publicatiedatum
16 mei 2017
Zaaknummer
02 5463625 cv expl 16-10146
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering verhuurder wegens ontbreken bewijs gebreken bij aanvang huur

In deze civiele procedure vordert Stichting Woonpunt vergoeding van kosten wegens gebreken aan het gehuurde na afloop van de huurovereenkomst. Bij aanvang van de huur is geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt, waardoor op grond van artikel 7:224 BW Pro wordt verondersteld dat de huurder het gehuurde in dezelfde staat heeft ontvangen als bij het einde van de huur.

De verhuurder heeft de mogelijkheid gekregen bewijs te leveren dat het gehuurde bij aanvang in een betere staat verkeerde dan bij het einde van de huur, maar heeft hiervan afgezien en geen getuigen of andere bewijsstukken ingebracht. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de gebreken voor rekening van de huurder komen.

De kantonrechter oordeelt daarom dat onvoldoende grondslag bestaat voor toewijzing van de vordering en wijst deze af. Woonpunt wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde partij, begroot op €350.

Het vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering van verhuurder Woonpunt wordt afgewezen wegens het ontbreken van bewijs dat het gehuurde bij aanvang in betere staat verkeerde dan bij het einde van de huur.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5463625 \ CV EXPL 16-10146
Vonnis van de kantonrechter van 17 mei 2017
in de zaak van:
de stichting STICHTING WOONPUNT,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
gemachtigde Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen:
[gedaagde partij],
wonend op een bij de deurwaarder bekend adres in,
de gemeente [woonplaats gedaagde partij] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. J.E.A.H. Verstraelen.
Partijen worden hierna verder Woonpunt en [gedaagde partij] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussen partijen gewezen vonnis van 1 maart 2017,
  • de akte van [gedaagde partij] ,
  • de akte van Woonpunt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De (verdere) beoordeling

2.1.
De kantonechter verwijst naar het door hem tussen partijen gewezen vonnis van 1 maart 2017, bij de inhoud waarvan wordt volhard. Bij dat vonnis is Woonpunt toegelaten bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat de gebreken, zoals te zien op de foto's van 26 augustus 2013, niet reeds aanwezig waren bij aanvang van de huur op 17 augustus 1999.
2.2.
Woonpunt heeft vervolgens bericht dat zij afziet van het horen van getuigen en ook op andere wijze geen bewijsstukken in het geding zal brengen.
2.3.
In het vonnis van 1 maart 2017 is overwogen dat tussen partijen vast staat dat bij aanvang van de huurovereenkomst d.d. 17 augustus 2009 geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt en dat op grond van het bepaalde in artikel 7:224 BW Pro wordt verondersteld dat [gedaagde partij] , behoudens tegenbewijs, het gehuurde in de staat zal hebben ontvangen zoals die was bij het einde van de huurovereenkomst.
2.4.
Omdat Woonpunt ter comparitie uitdrukkelijk heeft aangeboden te bewijzen dat het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst in een betere staat verkeerde dan bij het einde van de huurovereenkomst, is Woonpunt bij voormeld vonnis toegelaten bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat de gebreken, zoals te zien op de foto's van 26 augustus 2013, niet reeds aanwezig waren bij aanvang van de huur op 17 augustus 1999.
2.5.
Woonpunt heeft ter zake van het aan haar opgedragen bewijs afgezien van het horen van getuigen, noch heeft zij in verband met het aan haar opgedragen bewijs andere bewijsstukken in het geding gebracht. Dit betekent dat er van uit moet worden gegaan dat [gedaagde partij] het gehuurde bij aanvang van de huur niet in een betere staat heeft ontvangen dan zoals die was bij het einde van de huurovereenkomst en dat de gebreken, zoals die bij het einde van de huur zijn gebleken, niet voor rekening van [gedaagde partij] komen. Daaruit volgt dat onvoldoende grondslag aanwezig is voor toewijzing van de door Woonpunt kosten, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
2.6.
Woonpunt zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op een bedrag van € 350,00 (2 x tarief € 175,00) ter zake van salaris van haar gemachtigde.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering van Woonpunt af,
3.2.
veroordeelt Woonpunt in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde partij] gevallen en tot op heden begroot op € 350,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.
type: TC
coll: