Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser] te Roermond, eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2017.
Rechtbank Limburg
Eiser ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering en was daarnaast werkzaam, waarbij inkomsten werden verrekend met de uitkering. In 2013 meldde eiser zich ziek vanuit een WW-uitkering. Na een wachttijd van 104 weken stelde verweerder de WAO-uitkering per 28 september 2015 vast op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% en berekende het dagloon op €141,64 inclusief vakantiegeld.
Eiser betwistte de dagloonberekening en voerde aan dat het dagloon het welvaartsniveau bij het intreden van het risico moet weerspiegelen, inclusief het eerste WAO-recht, en dat de huidige berekening in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het eigendomsrecht. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 19aa WAO geen tweede recht op WAO-uitkering kan ontstaan en dat het dagloon correct is vastgesteld volgens artikel 40 en Pro 14 WAO in samenhang met het Dagloonbesluit.
De rechtbank verwierp het verzoek van eiser om artikel 40 WAO Pro onverbindend te verklaren en stelde dat de regeling niet leidt tot een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en de dagloonberekening bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van het dagloon en de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.