Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
- dagvaarding € 101,05
- griffierecht 470,00
- salaris gemachtigde
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een kredietovereenkomst uit 1999 tussen de gedaagde en IDM Financieringen B.V., waarbij een doorlopend krediet tot maximaal € 9.075,60 werd verstrekt. De gedaagde is in gebreke gebleven met betaling van twee maandtermijnen, waardoor de restantschuld ineens opeisbaar werd. IDM heeft de vordering in 2015 aan Hoist Kredit AB gecedeerd, die vervolgens betaling vordert van € 11.116,32 plus rente en kosten.
De gedaagde voerde diverse verweren aan, waaronder dat de lening volledig zou zijn terugbetaald, dat hij niet wist dat het om een doorlopend krediet ging, en dat hij geen bankpas had ontvangen. Ook stelde hij dat hij geen contact kon krijgen met IDM en geen inzicht had in de kredietstatus. Hoist weerlegde deze verweren met schriftelijke stukken en benadrukte de geldigheid van de cessie en de kredietovereenkomst.
De kantonrechter oordeelde dat de kredietovereenkomst duidelijk was en dat de gedaagde zijn verweren onvoldoende had onderbouwd. Het ontbreken van een bankpas en het vermeende gebrek aan communicatie ontnam hem niet de contractuele verplichting tot betaling. Nieuwe verweren bij dupliek werden niet toegelaten wegens schending van het concentratiebeginsel. De vordering van Hoist werd toegewezen, de gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het bedrag, rente en proceskosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het openstaande kredietbedrag met rente en proceskosten.