ECLI:NL:RBLIM:2017:8685

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 september 2017
Publicatiedatum
6 september 2017
Zaaknummer
5847861 \ CV EXPL 17-2872
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 128 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot betaling van openstaand doorlopend krediet ondanks verweren gedaagde

De zaak betreft een kredietovereenkomst uit 1999 tussen de gedaagde en IDM Financieringen B.V., waarbij een doorlopend krediet tot maximaal € 9.075,60 werd verstrekt. De gedaagde is in gebreke gebleven met betaling van twee maandtermijnen, waardoor de restantschuld ineens opeisbaar werd. IDM heeft de vordering in 2015 aan Hoist Kredit AB gecedeerd, die vervolgens betaling vordert van € 11.116,32 plus rente en kosten.

De gedaagde voerde diverse verweren aan, waaronder dat de lening volledig zou zijn terugbetaald, dat hij niet wist dat het om een doorlopend krediet ging, en dat hij geen bankpas had ontvangen. Ook stelde hij dat hij geen contact kon krijgen met IDM en geen inzicht had in de kredietstatus. Hoist weerlegde deze verweren met schriftelijke stukken en benadrukte de geldigheid van de cessie en de kredietovereenkomst.

De kantonrechter oordeelde dat de kredietovereenkomst duidelijk was en dat de gedaagde zijn verweren onvoldoende had onderbouwd. Het ontbreken van een bankpas en het vermeende gebrek aan communicatie ontnam hem niet de contractuele verplichting tot betaling. Nieuwe verweren bij dupliek werden niet toegelaten wegens schending van het concentratiebeginsel. De vordering van Hoist werd toegewezen, de gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het bedrag, rente en proceskosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het openstaande kredietbedrag met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5847861 \ CV EXPL 17-2872
Vonnis van de kantonrechter van 6 september 2017
in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht HOIST KREDIT AB,
gevestigd te Stockholm,
eisende partij,
gemachtigde LAVG Groningen,
tegen:
[gedaagde partij],
wonend [adres gedaagde partij] ,
[woonplaats gedaagde partij] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. I. van Medenbach de Rooij.
Partijen worden verder in dit vonnis aangeduid als Hoist en [gedaagde partij] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de conclusie van repliek
  • de conclusie van dupliek
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij] is op 11 augustus 1999 een kredietovereenkomst aangegaan met IDM Financieringen B.V. (hierna: IDM) te Amsterdam, waarbij aan [gedaagde partij] een doorlopend krediet is verstrekt tot ten hoogste € 9.075,60.
2.2.
Bij voormelde kredietovereenkomst is overeengekomen dat [gedaagde partij] de geleende kredietsom, vermeerderd met de verschuldigde kredietvergoeding, aan IDM zal terugbetalen in maandelijkse termijnen van € 136,13.
2.3.
[gedaagde partij] is in gebreke gebleven met de betaling van een tweetal maandtermijnen, waardoor de restantschuld overeenkomstig de Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet ineens opeisbaar is geworden.
2.4.
Bij akte van cessie d.d. 13 juli 2015 heeft IDM de vordering op [gedaagde partij] aan Hoist gecedeerd.

3.Het geschil

3.1.
Hoist vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 11.116,32, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter komt – gezien de processtukken – tot de navolgende overwegingen.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] bij conclusie van antwoord een drietal verweren voert die door Hoist bij conclusie van repliek uitvoerig worden besproken.
4.3.
Zo weerlegt Hoist bij repliek – gestaafd door schriftelijke stukken – het standpunt van [gedaagde partij] dat er geen sprake is van een rechtsgeldige cessie, de stelling van [gedaagde partij] dat de lening volledig zou zijn terugbetaald en gaat Hoist verder in op de onderbouwing van haar vordering die in de visie van [gedaagde partij] gebrekkig is.
4.4.
[gedaagde partij] handhaaft bij zijn conclusie van dupliek de eerder bij antwoord betrokken stellingen niet, maar voert nieuwe verweren aan. [gedaagde partij] gaat daarmee voorbij aan het in artikel 128 Rv Pro neergelegde vereiste van concentratie van verweer en hij ontneemt Hoist zodoende de mogelijkheid om op deze nieuwe stellingen in te gaan. Niettemin zal de kantonrechter de door [gedaagde partij] bij dupliek ingenomen standpunten kort bespreken.
4.5.
De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst die door [gedaagde partij] is ondertekend en die door Hoist als productie 3 bij dagvaarding is overgelegd de titel Doorlopend Krediet heeft. Ook uit de verdere inhoud van de overeenkomst blijkt duidelijk dat aan [gedaagde partij] een kredietfaciliteit wordt verleend en dat [gedaagde partij] maandelijks een kredietvergoeding verschuldigd is over het uitstaande saldo. Naar het oordeel van de kantonrechter laat de betreffende overeenkomst aan duidelijkheid niets te wensen over en het moet voor [gedaagde partij] dan ook volstrekt helder zijn geweest om welk financieel product het ging. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan het door [gedaagde partij] betrokken standpunt dat het hem niet bekend was dat het om een doorlopend krediet ging.
4.6.
Daarnaast heeft [gedaagde partij] zijn standpunt dat hij maandelijks € 40,00 kon opnemen en dat volgens IDM de vordering in 10 jaar zou zijn afgelost in het geheel niet onderbouwd. Ook de inhoud van de kredietovereenkomst strookt niet met deze stelling van [gedaagde partij] .
4.7.
Het feit dat [gedaagde partij] geen bankpas van IDM heeft gekregen – wat daarvan ook zij – betekent niet dat hij niet op andere wijze gelden uit het krediet heeft kunnen opnemen. Ook dit verweer van [gedaagde partij] kan niet slagen.
4.8.
De kantonrechter gaat voorts voorbij aan het verweer van [gedaagde partij] dat hij nimmer contact heeft kunnen krijgen met IDM, nimmer afschriften heeft ontvangen en geen inzicht in de status van het krediet heeft gekregen. Uit niets blijkt dat [gedaagde partij] op enige wijze heeft getracht met IDM in contact te komen dan wel dat [gedaagde partij] eerder om afschriften en/of actuele informatie omtrent de status van het krediet heeft gevraagd. Bovendien neemt een en ander de contractuele verplichting van [gedaagde partij] tot maandelijkse betaling van de termijnbedragen niet weg.
4.9.
De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.
4.10.
Uit het vorenstaande volgt dat de vordering aan Hoist moet worden toegewezen.
4.11.
[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Hoist worden begroot op:
  • dagvaarding € 101,05
  • griffierecht 470,00
  • salaris gemachtigde
totaal € 1.171,05
4.12.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Hoist te betalen een bedrag van € 11.116,32, vermeerderd met de overeengekomen vertragingsvergoeding ad 9,0 % per jaar, te rekenen vanaf 28 februari 2017 tot aan de voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van Hoist gevallen en tot op heden begroot op € 1.171,05,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.
type: ph
coll: