ECLI:NL:RBLIM:2017:9613

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 september 2017
Publicatiedatum
4 oktober 2017
Zaaknummer
241033 / HA RK 17-239
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter wegens eerdere uitspraak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. V.P. van Deventer, rechter bij Rechtbank Limburg, naar aanleiding van een eerdere uitspraak uit 2008 waarin een beroep van verzoeker ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde dat deze eerdere uitspraak onrechtvaardig was en dat dit aanleiding gaf tot partijdigheid van de rechter.

De wrakingskamer oordeelde dat een rechter uit hoofde van zijn functie wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden objectief aantonen dat sprake is van vooringenomenheid. Het subjectieve gevoel van verzoeker is onvoldoende zonder objectieve aanwijzingen.

De rechter verklaarde zich de eerdere zaak niet te herinneren en ontkende enige negatieve gevoelens die zouden kunnen leiden tot partijdigheid. De wrakingskamer concludeerde dat de eerdere ongegrondverklaring geen feiten of omstandigheden bevat die wijzen op partijdigheid of de schijn daarvan.

Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Datum uitspraak : 27 september 2017
Zaaknummer : 03/241033 / HA RK 17-239
Beslissing van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingszaken
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonend te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,
indiener van een verzoek dat strekt tot de wraking van :
mr. V.P. van Deventer, rechter in deze rechtbank (hierna aan te duiden als ‘de rechter’).

1.Het verloop van de procedure

Op 25 augustus 2017 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van mr. K.M.P. Jacobs ingediend. Voor de behandeling van dat verzoek op 27 september 2017 is een wrakingskamer samengesteld, waarvan de rechter deel uitmaakt. Verzoeker heeft in de late namiddag (na sluitingstijd van de griffie) van 26 september 2017 een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van de wrakingskamer op 27 september 2017, waar verzoeker en de rechter zijn verschenen.
De wrakingskamer heeft op 27 september 2017 mondeling uitspraak gedaan.

2.De beoordeling van de wrakingsverzoeken

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking van de rechter ten grondslag gelegd dat de rechter bij uitspraak van 13 oktober 2008 een beroep van verzoeker tegen een besluit van de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen inzake de toepassing van de Werkloosheidswet ongegrond heeft verklaard. Verzoeker heeft betoogd dat de rechter hem hiermee onrecht heeft aangedaan en dat verzoeker door die uitspraak schade heeft geleden. Verzoeker heeft voorts betoogd dat het Nederlandse rechtssysteem niet deugt en dat rechters straffeloos partijdig zijn.
De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker de beslissing van de rechter als ingrijpend heeft ervaren en dat hij het er nog altijd niet mee eens is. De rechter heeft ter zitting verklaard zich die zaak niet meer te herinneren en er in geen geval een negatief gevoelen aan over te hebben gehouden dat zou kunnen leiden tot partijdigheid of (de schijn van) vooringenomenheid ten aanzien van verzoeker.
De wrakingskamer is van oordeel dat in het feit dat de rechter in 2008 een beroep van verzoeker ongegrond heeft verklaard, geen feiten of omstandigheden zijn gelegen op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat er bij de rechter sprake is partijdigheid of vooringenomenheid. Hetgeen door verzoeker schriftelijk en mondeling ter zitting is aangevoerd, is niet van dien aard dat geconcludeerd moet worden dat de rechter niet zou kunnen deelnemen aan de behandeling van het verzoek tot wraking van mr. Jacobs wegens gebleken partijdigheid of de schijn ervan.
De wrakingskamer acht het verzoek tot wraking van de rechter ongegrond en wijst het verzoek op die grond af.

3.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van mr. Van Deventer af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. Wassenberg, voorzitter, mr. H.W.M.A. Staal en mr. F. Oelmeijer, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.
Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.