De rechtbank Limburg behandelde een onteigeningszaak tussen de gemeente Beek en een particuliere grondeigenaar. De kern van het geschil betrof de waardebepaling van het onteigende perceel en de waardering van onwinbare bodembestanddelen, zoals klei (löss). De rechtbank bevestigde dat de eliminatieregel niet van toepassing was en hanteerde de vergelijkingsmethode als meest geschikte waarderingsmethode voor de grondwaarde, vastgesteld op €22,00 per m².
Daarnaast werd de waardering van de bodembestanddelen uitvoerig besproken. De rechtbank oordeelde dat de waardering gebaseerd moest zijn op de marktwaarde van de löss, rekening houdend met afgravings- en transportkosten, en dat de vergoeding berekend werd op basis van de oppervlakte van het onteigende complex. De totale schadeloosstelling werd vastgesteld op €29.536,65 inclusief de waarde van de bodembestanddelen.
De rechtbank wees ook het verzoek van de gemeente af om de rente te beperken, en bepaalde dat wettelijke rente over het verschil tussen voorschot en uiteindelijke schadeloosstelling verschuldigd is. Verder matigde de rechtbank de gevorderde kosten voor juridische en andere deskundige bijstand van de gedaagde tot €41.527,22 en veroordeelde de gemeente tot betaling van deze kosten en griffierechten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.