Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2018:10339

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 oktober 2018
Publicatiedatum
31 oktober 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 332
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 AwbArt. 6.1 lid 2 sub b Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen gedoogbeschikking huisvesting vleeskuikens en ongegrondverklaring bezwaar handhaving

Bij besluit van 6 juni 2016 gaf de gemeente Nederweert een gedoogbeschikking af voor het huisvesten van 41.513 vleeskuikens in bestaande stallen aan een adres te Leveroy. Tegelijkertijd wees de gemeente een verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen deze inrichting af. Eisers maakten bezwaar tegen deze besluiten, waarop de gemeente deels ongegrond en deels gegrond verklaarde, en legde een last onder dwangsom op aan de derde-partij.

Eisers stelden beroep in tegen het bestreden besluit. De rechtbank hield op 22 februari 2018 een zitting, waarbij partijen en de derde-partij aanwezig waren. De rechtbank overwoog dat de gedoogbeschikking geldig was tot de inwerkingtreding van een omgevingsvergunning die op 16 mei 2017 werd verleend en zes weken later in werking trad. Hierdoor was de gedoogbeschikking op het moment van uitspraak niet langer van kracht, waardoor het beroep tegen de gedoogbeschikking niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een actueel procesbelang.

Wat betreft het beroep tegen de afwijzing van handhaving stelde de rechtbank vast dat ten tijde van het bestreden besluit de gedoogbeschikking nog van kracht was. Daardoor was er geen sprake van een overtreding en was de gemeente niet bevoegd tot verdergaand handhavend optreden dan reeds gedaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en wees partijen op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de gedoogbeschikking is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van handhaving is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 17 / 332

Uitspraak van de meervoudige kamer van 26 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], wonend te [woonplaats], eisers,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft verweerder aan [pluimveehouderij] (hierna: de derde-partij) een gedoogbeschikking afgegeven voor het huisvesten van 41.513 vleeskuikens in de vier bestaande stallen van de inrichting gelegen aan [adres] te Leveroy.
Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder het verzoek van eisers om handhand op te treden tegen de inrichting van de derde-partij afgewezen.
Bij besluit van 20 december 2016 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder – voor zover hier van belang – het bezwaar van eisers tegen de gedoogbeschikking ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek tot handhaving deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij een last onder dwangsom opgelegd aan de derde-partij, inhoudende dat deze een dwangsom verbeurt van € 250,- met een maximum van € 3.000,- voor elke week of gedeelte van een week dat niet wordt voldaan aan de last de voertuigbewegingen via de onverharde oprit, anders dan voor de afvoer van mest, te beëindigen en beëindigd te houden, of dat de derde-partij een (deugdelijke) verharding aanbrengt op de oprit.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. S. Oord, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, die bij brief van 1 maart 2017 de beroepsgronden heeft ingediend.
Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank de derde-partij in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.
Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd met dat in de zaak met nummer ROE 17/1812 – plaatsgevonden op 22 februari 2018, waar eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. T.G.W. Kierkels, mr. L. Janssen en J. Emonts, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting de derde-partij, vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door mr. T. Pothast, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, en ir. W.A. van Aerle, werkzaam bij M&A Milieuadviesbureau B.V., verschenen.
Na de zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst; in elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Zoals blijkt uit voorwaarde 1 van de bij het besluit van 6 juni 2016 afgegeven gedoogbeschikking, is deze beschikking van kracht tot de inwerkingtreding van een door de derde-partij aangevraagde omgevingsvergunning voor het huisvesten van de 41.513 vleeskuikens in de inrichtingen aan [adres] te Leveroy. Bij besluit van 16 mei 2017 heeft verweerder bedoelde omgevingsvergunning verleend. Gelet op artikel 6.1, tweede lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is deze vergunning zes weken na de bekendmaking hiervan (op 25 mei 2017) in werking getreden. Derhalve is de gedoogbeschikking thans niet langer van kracht.
1.1.
Het onderhavig beroep is, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de gedoogbeschikking, derhalve niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang. Te meer omdat bij uitspraak van heden in de zaak met nummer ROE 17/1812 het beroep tegen de omgevingsvergunning ongegrond is verklaard.
2. Wat betreft het beroep van eisers tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing om handhavend op te treden, overweegt de rechtbank als volgt. Niet betwist is dat de ongegrondverklaring van het bezwaar ziet op onderdelen van het handhavingsverzoek die, met uitzondering van de onverharde oprit waarop de last onder dwangsom betrekking heeft, vallen binnen de reikwijdte van het gedoogbesluit. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de gedoogbeschikking echter nog van kracht, zodat op grond hiervan geen sprake was van een overtreding ten aanzien van bedoelde onderdelen. Verweerder was derhalve niet bevoegd tot verdergaand handhavend optreden dan hij bij het bestreden besluit heeft gedaan.
2.1.
Het beroep is in zoverre ongegrond.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de gedoogbeschikking, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen en J.M.E. Kessels, leden, in aanwezigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt op 26 oktober 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: 26 oktober 2018

Rechtsmiddel

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.