Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
In conventie en reconventie
3.Het geschil
In conventie
4.De beoordeling
5.De beslissing
19 maart 2019bij deze rechtbank, locatie Maastricht, vanaf 13.30 uur;
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een geschil tussen twee broers over de afwikkeling van de nalatenschap van hun overleden moeder. De langstlevende ouder had de ene broer als enig erfgenaam en executeur benoemd, terwijl de andere broer een beroep deed op zijn legitieme portie. De executeur had de nalatenschap zuiver aanvaard en stelde dat het beheer was beëindigd.
De eiser vorderde onder meer terugbetaling van een geldlening aan de gedaagde, vermeerderd met rente, en stelde onrechtmatige verrijking vast. De gedaagde betwistte deze vorderingen deels en stelde verjaring in. Tevens vorderde de gedaagde inzage en afschrift van diverse bescheiden op grond van art. 4:78 BW Pro, als legitimaris niet-erfgenaam.
De rechtbank oordeelde dat de executeur het beheer had beëindigd en dat hij bevoegd was om de vorderingen in eigen naam in te stellen. Het bestaan van de geldlening werd erkend en de verjaring verworpen. De vorderingen tot inzage en afschrift werden toegewezen voor zover deze noodzakelijk zijn voor de berekening van de legitieme portie, met uitzondering van te onbepaalde vorderingen. De kosten van inzage komen voor rekening van de nalatenschap. De procedurekosten werden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot inzage en afschrift toe en bevestigt het bestaan van de geldlening, met veroordeling tot verstrekking binnen zes weken.