ECLI:NL:RBLIM:2018:1188

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 februari 2018
Publicatiedatum
6 februari 2018
Zaaknummer
C/03/6328046 BR VERZ 17-252
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:210 BWArt. 4:202 BWArt. 4:184 lid 2 sub b BWArt. 4:184 lid 2 sub c BWArt. 4:184 lid 2 sub d BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onredelijke voorwaarden schuldeiser bij verzoek uitstel betaling nalatenschap

Verzoekster, handelend als wettelijke erfgenaam en vereffenaar van een nalatenschap met voornamelijk een onroerende zaak in Spanje en beperkte liquide middelen, vroeg de kantonrechter om een aanwijzing vanwege onredelijke voorwaarden die een schuldeiser stelde aan uitstel van betaling van de nalatenschapschuld.

De schuldeiser, het Landelijk Incasso Centrum, eiste zekerheid voor volledige betaling vóór een bepaalde datum, terwijl verzoekster de nalatenschap beneficiair had aanvaard en niet over voldoende middelen beschikte. De kantonrechter benadrukte dat een nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt en dat aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving privéaansprakelijkheid voorkomt, tenzij sprake is van verwijtbare gedragingen.

De vereffening van de nalatenschap is nog gaande, waarbij de verkoop van de onroerende zaak in Spanje tijd kost. Schuldeisers, behalve separatisten, moeten de voltooiing van de vereffening afwachten. De kantonrechter vond de voorwaarden van de schuldeiser onwettig en gaf geen nadere aanwijzing, maar verzocht verzoekster om tijdig te rapporteren over relevante ontwikkelingen.

Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek om nadere aanwijzing af en bevestigt dat de schuldeiser geen onredelijke voorwaarden mag stellen aan uitstel van betaling.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht / Kantonrechter
Zaaknr: 6328046 BR VERZ 17-252
Beschikking van 6 februari 2018
inzake
[verzoekster] ,
wonend te [woonplaats 1] aan de [adres] ,
verzoekster,
handelend als wettelijke erfgenaam en als vereffenaar van de nalatenschap van:
[erflater], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , overleden te [overlijdensplaats] op
[overlijdensdatum] , laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats 2] .

1.Verloop van de procedure

1.1.
Bij brief, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 29 januari 2018, heeft verzoekster de kantonrechter ingelicht over de ontvangst van een brief van een schuldeiser (verder: het Landelijk Incasso Centrum) waarin deze - onder meer - voorwaarden verbindt aan een uitstel van betaling van de schuld van de nalatenschap. Verzoekster vraagt, naar de kantonrechter begrijpt, aanwijzing ter zake.
1.2.
Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
Verzoekster stelt dat het Landelijk Incasso Centrum haar tot 1 maart 2018 uitstel van betaling heeft verleend, aan dat uitstel voorwaarden heeft gesteld en, indien verzoekster verder uitstel van betaling wenst, de voorwaarde heeft verbonden dat verzoekster voor 1 maart 2018 zekerheid geeft dat de schuld aan het Landelijk Incasso Centrum uiteindelijk volledig wordt betaald. Aangezien verzoekster de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard en de schuld van de nalatenschap niet kan betalen noch voormelde zekerheid kan geven, vraagt verzoekster zich af of het Landelijk Incasso Centrum die voorwaarden kan stellen en is zij bang dat zij met haar eigen vermogen aansprakelijk wordt gesteld voor het geval er na de verkoop van de onroerende zaak onvoldoende middelen in de nalatenschap blijken te zijn om de schuld aan het Landelijk Incasso Centrum integraal te betalen.
2.2.
Zoals bij beschikking van 20 september 2017 is overwogen, dient verzoekster de nalatenschap overeenkomstig het bepaalde in Boek 4 BW, titel 6, afdeling 3 af te wikkelen (te vereffenen). Uit de processtukken blijkt dat activa van de nalatenschapsboedel hoofdzakelijk worden gevormd door de waarde van de onroerende zaak van de erflater in Spanje en dat de liquide middelen (de banksaldi) ongeveer € 158,53 bedragen. Verder blijkt dat verzoekster een makelaar heeft ingeschakeld om de onroerende zaak in Spanje te verkopen en dat die verkoop enige tijd in beslag kan nemen. Geconcludeerd kan worden dat verzoekster, in haar hoedanigheid van vereffenaar, bezig is met de vereffening van de nalatenschap. Met uitzondering van de separatisten (de pand- en/of hypotheekhouder) dienen de schuldeisers van de nalatenschap, waaronder het Landelijk Incasso Centrum, tijdens de vereffening
een pas op de plaatste maken en de vereffening van de nalatenschap af te wachten.
2.2.1.
Nadat de vereffening is voltooid dient verzoekster met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4:7 BW, 3:277 e.v. BW en 21 Invorderingswet het (eventuele) batige saldo te verdelen onder de schuldeisers van de nalatenschap.
2.2.2.
De vrees van verzoekster kan de kantonrechter zich voorstellen. Vooropstaat dat een nalatenschap een afgescheiden vermogen is. Tegen de achtergrond hiervan ontbeert het stellen van voorwaarden door het Landelijk Incasso Centrum aan verzoekster zoals vermeld in de brief van 10 november 2017 wettelijke grondslag. Aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving verhindert verhaal op het eigen vermogen van verzoekster als erfgenaam tenzij verzoekster een verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in art. 4:184 lid 2 sub Pro b, c, en d BW. Uit de
thans voorhanden feitenvolgt niet dat daarvan sprake is. Teneinde de voortgang van de vereffening ten behoeve van de schuldeisers (waaronder verzoekster als erfgename) te bewaken heeft de kantonrechter verzoekster bij beschikking van 20 september 2017 de aanwijzing gegeven als vermeld in r.o. 2.2. Gelet hierop acht de kantonrechter het geven van een verdere aanwijzing thans niet nodig. Indien zich omstandigheden voordoen die de omvang van de nalatenschapsboedel kunnen beïnvloeden, dient verzoekster deze tijdig aan de kantonrechter te berichten. Zij hoeft daarvoor uiteraard niet tot 20 juni 2018 (de einddatum van de termijn van negen maanden als gegeven in de beschikking van 20 september 2017) te wachten.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ziet geen aanleiding om aan verzoekster een nadere aanwijzing te geven.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.
YT