Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het op 16 januari 2018 ter griffie ontvangen verzoekschrift van CNME met bijlagen 1 tot en met 13
- het op 22 februari 2018 ter griffie ontvangen verweerschrift van [verweerder, tevens verzoeker in het tegenverzoek] inclusief zelfstandig tegenverzoek met bijlagen 1 tot en met 3
- de mondelinge behandeling op 6 maart 2018 ter gelegenheid waarvan namens CNME een pleitnota ingebracht is.
2.De feiten
- het team zorgt voor een omgeving en sfeer waarbinnen [naam vrijwilligster] zich veilig en gerespecteerd voelt.
- intimiteiten zoals omhelzen, iets waartoe [naam vrijwilligster] nog wel eens initiatief neemt, worden niet beantwoord en zowel verbaal als fysiek onmiddellijk afgewezen. Elke vorm van fysiek contact wordt gemeden om duidelijke grenzen voor [naam vrijwilligster] te bewaken. Vertoont [naam vrijwilligster] op eigen initiatief ongewenst gedrag of zoekt zij fysiek contact, dan wordt dit direct gemeld bij de meewerkend voorman. [naam projectleider] stuurt [naam vrijwilligster] aan op dit punt en neemt passende maatregelen. Als [naam vrijwilligster] zich niet aan de afspraken houdt, zal dit sancties tot gevolg hebben.
- Samenwerken met [naam vrijwilligster] is en blijft het uitgangspunt. Soms werkt het team in een natuurgebied waarin met tweetallen verspreid in een gebied wordt gewerkt. De meewerkend voorman geeft hiertoe instructies zodat hij of zijn vervanger altijd overzicht houdt wie er op welk moment met [naam vrijwilligster] werkt.
Reden voor de schorsing is dat er door een medewerker geconstateerd is, dat u tijdens werktijd seksueel contact had met een medewerkster. Dit is absoluut niet toegestaan. Het betreft een medewerkster met een beperking, waarvoor dit te meer geldt. Dit is ook bekend.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Stcrt.2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).
(“dat zelfs indien er seksueel contact zou zijn geweest tussen [verweerder, tevens verzoeker in het tegenverzoek] en mevrouw [naam 3] (…) dat dat dan vrijwillig is geweest, (…) Immers, het gaan om twee volwassen mensen”)geeft er onvoldoende blijk van dat [verweerder, tevens verzoeker in het tegenverzoek] zich bewust is van het ongewenste (ernstige) karakter en van de uiteindelijke impact van zijn gedrag.