Eiseres ontving bijstand en verweerder stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid hiervan vanwege onduidelijke stortingen en geldleningen op haar bankrekening. Verweerder trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug.
Eiseres betwistte de schending van haar inlichtingenplicht en voerde aan dat zij bedragen naar de bankrekening van haar zoon overmaakte en geen kwade bedoelingen had. Tevens stelde zij dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de bijstand rechtsgeldig was en dat verweerder op grond van de Participatiewet verplicht was tot terugvordering. Er waren geen dringende redenen die terugvordering konden voorkomen. De financiële gevolgen van terugvordering kunnen via wettelijke beschermingen worden opgevangen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de terugvordering van €10.160,21 bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.