Op grond van de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting stelt de kantonrechter vast dat de aanloop naar het ontslag op staande voet op 20 maart 2018 als volgt is geweest.
De heer [A] , teamleider logistics Venlo, ontvangt op een gegeven moment signalen uit het bedrijf met betrekking tot niet integere handelingen door [verzoekende partij, verweerder in de zelfstandige verzoeken] en [X] . Dit is voor [A] aanleiding om op 28 april 2017 een observatie te doen, gericht op het handelen van [verzoekende partij, verweerder in de zelfstandige verzoeken] bij de klant De Groene Oase. Daarbij wordt gezien dat [verzoekende partij, verweerder in de zelfstandige verzoeken] extra afval inzamelt en dat hij met een witte plastic zak met inhoud, afkomstig van De Groene Oase, uiteindelijk weer vertrekt. Op 24 mei 2017 deelt [A] deze waarnemingen met de manager integriteit van Renewi, de heer [Y] . De heer [Y] start vervolgens een integriteitsonderzoek, bestaande uit het uitvoeren van een aantal observaties, administratief onderzoek en het voeren van diverse gesprekken met de melder/getuigen/betrokkenen.
Op 26 mei 2017, 2 juni 2017, 15 december 2017 en 12 januari 2018 zijn observaties uitgevoerd waarbij is gepost bij De Groene Oase en de door van [verzoekende partij, verweerder in de zelfstandige verzoeken] verrichte handelingen zijn vastgelegd. Het valt op dat tussen 2 juni 2017 en 15 december 2017, dus gedurende ruim een half jaar, er geen enkele ontwikkeling is in het onderzoek. Renewi wijst ter verklaring op mislukte observaties op 9 juni 2017, 30 juni 2017, 8 september 2017, 13 oktober 2017 en 17 november 2017. Echter, de perioden tussen deze data zijn ook nog zeer fors en laten zich zeker niet verklaren door vakanties van de heer [Y] en/of het feit dat [verzoekende partij, verweerder in de zelfstandige verzoeken] en [X] enkel op de vrijdag bij De Groene Oase afval kwamen ophalen. Bovendien is Renewi verantwoordelijk voor de wijze van onderzoek die zij kiest en de voortvarendheid waarmee het wordt uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat er geen andersoortig onderzoek mogelijk was of dat het onderzoek niet sneller had gekund.
Tenslotte speelt voor de kantonrechter een rol dat bij de observaties op 28 april, 26 mei en 2 juni al wordt waargenomen dat er meer ledigingen plaatsvinden dan [verzoekende partij, verweerder in de zelfstandige verzoeken] in de boordcomputer van de vrachtwagen registreert. Het is voor de kantonrechter onduidelijk waarom hij op dat moment niet al met deze bevindingen geconfronteerd had kunnen worden. Mogelijk was Renewi op zoek naar bewijs van zwaardere vergrijpen, zoals het aannemen van betaling in ruil voor het meenemen van extra afval (wat niet gevonden is) maar dat is eveneens een omstandigheid die het gevolg is van de keuze van Renewi en vormt geen rechtvaardiging voor de zeer lange duur van het onderzoek.
Hoewel de kantonrechter zeker onderkent dat Renewi de gelegenheid moet krijgen om zorgvuldig onderzoek uit te voeren en daaraan dus enige tijd moet kunnen besteden is hij van oordeel dat hier een grens is overschreden. Reeds daarom is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van onverwijldheid van het gegeven ontslag.
Overigens is het daarmee nog niet gedaan. Op 12 maart 2018, tijdens zijn dienst, is [verzoekende partij, verweerder in de zelfstandige verzoeken] per direct ontboden op kantoor waar hij is geconfronteerd met de bevindingen van [Y] en heeft hij een verklaring afgelegd. Na het gesprek is [verzoekende partij, verweerder in de zelfstandige verzoeken] per direct geschorst in afwachting van een nader onderzoek. Waaruit dit nader onderzoek dan nog zou hebben bestaan, of waarvoor de tijd tot het ontslag op staande voet van 20 maart 2018 is benut is gesteld noch gebleken. Renewi geeft hiervoor geen rechtens relevante verklaring. De periode tussen 12 maart en 20 maart 2018, hoewel van een andere orde dan de duur van het feitenonderzoek, acht de kantonrechter daarom ook te lang, gelet op het feit dat op 12 maart alle relevante informatie beschikbaar was.