Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van een gemeente om handhavend op te treden tegen het gebruik van loodsen aan een adres, dat volgens hem in strijd was met het bestemmingsplan. Het college wees dit verzoek af in een besluit van 9 augustus 2016 en verklaarde het bezwaar hiertegen ongegrond in een besluit van 24 oktober 2017. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
De rechtbank overwoog dat het gebruik van de loodsen in strijd was met het bestemmingsplan en dat het college onterecht het verzoek om handhaving had afgewezen. De rechtbank stelde vast dat het college bevoegd en in beginsel ook verplicht is handhavend op te treden ter voorkoming van herhaling van de overtreding, mede omdat er geen gronden zijn om aan te nemen dat herhaling uitgesloten is.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op binnen acht weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser.