De rechtbank Limburg heeft op 27 juni 2018 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2011. De minderjarige was sinds 2011 onder voogdij gesteld van zijn grootmoeder, maar woont sinds december 2016 bij zijn moeder en stiefvader die hem verzorgen en opvoeden. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling vanwege ernstige bedreigingen voor de ontwikkeling van de minderjarige, waaronder cognitieve beperkingen, pesten en seksueel grensoverschrijdend gedrag.
De moeder en stiefvader werden als belanghebbenden bij de procedure aangemerkt, ondanks dat formeel de grootmoeder nog het gezag heeft. De rechtbank overwoog dat de feitelijke verzorging en opvoeding door moeder en stiefvader plaatsvindt en dat er sprake is van family life zoals bedoeld in het EVRM, waardoor zij betrokken moeten worden.
De kinderrechter stelde vast dat de gedragsproblemen van de minderjarige, gecombineerd met verschillen in opvoedingsstijl en loyaliteitsconflicten tussen moeder en grootmoeder, een ernstige bedreiging vormen voor zijn ontwikkeling. De inzet van een gezinsvoogd in een gedwongen kader is noodzakelijk om de zorg te waarborgen. De ondertoezichtstelling wordt daarom voor de duur van twaalf maanden toegekend.