Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het verloop van de procedure
- de op 27 maart 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen brief met een bijlage van [verzoeker] ,
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van een schuldenaar die in België woont en bezwaar maakte tegen de beslaglegging op zijn pensioenuitkering door de Nederlandse Belastingdienst. De schuldenaar stelde dat de beslagvrije voet ten onrechte op nihil was vastgesteld en verzocht om een hogere beslagvrije voet, rekening houdend met zijn buitenlandse woonlasten en levensstandaard.
De rechtbank oordeelde dat voor schuldenaren zonder vaste verblijfplaats in Nederland de beslagvrije voet niet automatisch volgens Nederlandse normen wordt vastgesteld, maar dat rekening kan worden gehouden met het prijspeil en de levensstandaard van het land waar de schuldenaar woont. De schuldenaar had onvoldoende financiële gegevens verstrekt, maar de rechtbank nam de bekende feiten en lasten mee in de beoordeling.
De rechtbank stelde de beslagvrije voet vast op €107 per maand met ingang van 1 april 2019, waarbij de woonlasten werden verhoogd tot een redelijke hoogte passend bij de situatie in België. Het verzoek om het besluit van de Ontvanger van 5 december 2018 nietig te verklaren werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De beslagvrije voet van de in België wonende schuldenaar wordt vastgesteld op €107 per maand met ingang van 1 april 2019.