Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.de erven van [gedaagde sub 1] , te weten:
2. [gedaagde sub 2] ,
3. [gedaagde sub 3] ,
4. [gedaagde sub 4] ,
5. [gedaagde sub 5] ,
6. [gedaagde sub 6]
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
P.M.
€ 1.711,94
€ 1.993,86
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde een zaak over de verdeling van de nalatenschap van een overleden vrouw, waarbij een van de erfgenamen, [gedaagde sub 4], sinds 2013 zonder toestemming een bedrag van €42.963,03 van de rekening van de overledene had gepind. Deze gelden zijn niet aan de nalatenschap toegevoegd en kwamen niet ten goede aan de overledene.
De eiser vorderde dat deze onrechtmatige onttrekking werd erkend en dat het bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, in de nalatenschap werd ingebracht. Tevens werd gevorderd dat de onrechtmatige erfgenaam geen aanspraak zou maken op het aandeel in de nalatenschap dat overeenkomt met deze vordering.
De gedaagden weerspraken de vorderingen niet, waardoor de rechtbank de vorderingen toewijsde. De nalatenschap werd vastgesteld inclusief diverse activa en passiva, en een onzijdig persoon werd benoemd om de verdeling van de nalatenschap te begeleiden, met het oog op mogelijke onwil van erfgenamen.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen. Het vonnis werd uitgesproken op 23 december 2020.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen toe en beveelt de verdeling van de nalatenschap met benoeming van een onzijdig persoon.