Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[verzoekster sub 1],
[verzoekster sub 2],
Rechtbank Limburg
In deze zaak dienden verzoeksters een wrakingsverzoek in tegen de rechter die belast was met de behandeling van hun civiele procedure. Zij stelden dat de rechter onpartijdigheid tekort was geschoten door het toestaan van het raadplegen van notities door een getuige, het toelaten van gesloten en leidende vragen en het niet correct opnemen van een verklaring in het proces-verbaal.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van het subjectieve en objectieve criterium voor rechterlijke partijdigheid. Hoewel het subjectieve gevoel van verzoeksters begrijpelijk was, ontbrak het aan objectieve aanwijzingen dat de rechter vooringenomen was. Procesbeslissingen, ook indien betwist, vormen geen grond voor wraking.
De wrakingskamer concludeerde dat de rechter niet in strijd met de wet had gehandeld en dat haar beslissingen niet zodanig afwijkend of onverklaarbaar waren dat sprake kon zijn van (schijn van) vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen.
De beslissing werd op 3 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van Rechtbank Limburg. Tegen deze beschikking is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.