Eiser, sinds 1996 werkzaam bij de politie Zeeland, werd in 2011 volledig arbeidsongeschikt door PTSS, erkend als beroepsziekte in 2012. Hij verzocht om erkenning van aansprakelijkheid voor buitenrechtspositionele schade en smartengeld, welke verweerder afwees. Eiser stelde dat verweerder tekort was geschoten in zorgplicht en nazorg, en dat incidenten na 2006 ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de genoemde incidenten hadden plaatsgevonden en dat verweerder zijn zorgplicht had nageleefd. Ook was onvoldoende bewijs van fouten door ondergeschikten. Wel werd vastgesteld dat de behandeling van het bezwaar en beroep de redelijke termijn met 3,5 jaar had overschreden, waarvoor eiser recht had op een schadevergoeding van €3.500.
De rechtbank verdeelde de aansprakelijkheid voor de termijnoverschrijding tussen verweerder en de Staat. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werd toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter Vluggen op 10 juli 2020.