ECLI:NL:RBLIM:2020:5395

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 juli 2020
Publicatiedatum
23 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1588
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering omgevingsvergunning voor bedrijfsaanbouw

Verzoekster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de uitbreiding van haar bedrijfspand, welke door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal is geweigerd. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard, en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens verzocht zij om een voorlopige voorziening om de weigering te schorsen.

De voorzieningenrechter overweegt dat in beginsel bij weigering van een omgevingsvergunning niet snel sprake is van spoedeisend belang, tenzij bijzondere omstandigheden dat aantonen. Verzoekster stelde een spoedeisend belang te hebben vanwege de wens om het bouwplan snel te realiseren en de mogelijke schade door blootstelling van de aanbouw aan de elementen.

Echter, verzoekster beschikt inmiddels over een andere vergunning om de aanbouw af te maken, waardoor het spoedeisend belang niet direct voortvloeit uit de weigering maar uit de mogelijke gevolgen van een latere gegrondverklaring van haar beroep in combinatie met haar eigen handelen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening te verstrekkend is en dat een financieel belang niet snel leidt tot spoedeisendheid. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 20 / 1588

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2020 in de zaak tussen

[bedrijfsnaam] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
[naam sub 1],
[naam sub 2],
[naam sub 3]en
[naam sub 4](gemachtigde: mr. J.I.J. Langenberg), te [woonplaats] .

Overwegingen

1. Bij besluit van 18 december 2018 (hierna: het besluit op aanvraag) heeft verweerder geweigerd aan verzoekster een omgevingsvergunning te verlenen voor een uitbreiding van haar bedrijfspand aan de [adres] te [vestigingsplaats 1] .
2. Bij besluit van 12 mei 2020 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het besluit op aanvraag ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), te treffen.
4. Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.
5. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
6. De voorzieningenrechter acht in deze zaak termen aanwezig om met toepassing van laatstgenoemde bepaling uitspraak te doen. Hij overweegt daartoe het volgende.
7. In de regel zal er bij een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van een weigering om een omgevingsvergunning te verlenen niet snel sprake zijn van een spoedeisend belang, tenzij de bijzondere omstandigheden van het geval aantonen dat zonder de gevraagde voorziening het voor de verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang.
8. Bij brief van 30 juni 2020 heeft de griffier de indiener van het verzoekschrift verzocht het spoedeisend belang nader te onderbouwen.
9. Van de zijde van verzoekster is bij brief van 3 juli 2020 aangegeven dat verzoekster het bouwplan dat ten grondslag ligt aan het besluit op aanvraag op korte termijn wil realiseren en dat zij daarbij, mede gelet op de summiere motivering van dit besluit en het tijdsverloop sedertdien, een spoedeisend belang heeft. Verzoekster leidt schade als dit bouwplan niet kan worden gerealiseerd. Die schade is een gevolg van het niet kunnen bouwen overeenkomstig de gewenste vergunning en van het blootstaan van de huidige aanbouw aan de elementen. Indien verzoekster de aanbouw afmaakt overeenkomstig een andere, inmiddels verleende, omgevingsvergunning, kan het zijn dat zij op enig moment de dan gerealiseerde aanbouw moet afbreken om alsnog te bouwen overeenkomstig de vergunning die bij het besluit op aanvraag is geweigerd.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het spoedeisend belang dat verzoekster stelt te hebben niet is gelegen in de rechtstreekse gevolgen van de bestreden weigering een omgevingsvergunning te verlenen, maar in de indirecte gevolgen van een latere gegrondverklaring van haar beroep tegen het bestreden besluit in samenhang met verzoeksters eigen handelen op grond van de op 12 mei 2020 verleende omgevingsvergunning voor het, op andere wijze, afbouwen van de aanbouw. Of zij daarvan gebruik maakt, en de gevolgen daarvan, ook in relatie tot de thans voorliggende weigering om een omgevingsvergunning te verlenen, dient voor haar rekening en risico te komen.
11. Daargelaten of verzoekster in de bodemzaak uiteindelijk zou kunnen bereiken wat zij thans beoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening, die inhoudt dat haar een omgevingsvergunning wordt verleend, het karakter van een voorlopige voorziening te boven gaat. Het verzoek om de thans geweigerde omgevingsvergunning te verlenen, ook al is dat voor de duur van het geding, is dan ook te verstrekkend.
12. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat zij schade lijdt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat, wat er ook zij van die schade en de oorzaak daarvan, een financieel belang niet leidt tot de conclusie dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat de financiële consequenties in de regel niet onomkeerbaar zijn, terwijl niet is gesteld dat er sprake is van een financiële noodsituatie of dat de continuïteit van de onderneming wordt bedreigd.
Voor zover verzoekster heeft bedoeld om vooruitlopend op de behandeling van het bij de rechtbank aanhangige beroep een definitief rechtsoordeel te verkrijgen ten aanzien van de rechtsgeldigheid van het thans bestreden weigeringsbesluit, geldt dat een dergelijke rechterlijke beoordeling in zijn algemeenheid en ook in dit geval te verstrekkend van aard is voor een voorlopige voorzieningsprocedure.
13. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij het verzoek. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek daarom af.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Voor zover nodig wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken wanneer dat weer mogelijk is.
griffier de voorzieningenrechter is verhinderd
te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: 23 juli 2020.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.