Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
- het in rekening brengen van 2200 door [naam maat] voor [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gewerkte uren over de periode van januari t/m september 2016 en “uren oktober t/m december conform afspraak” tegen een, op 7 september 2016 overeengekomen, uurtarief ad € 25,00, zijnde in totaal € 55.000,00 excl. btw,
- daarop in mindering te brengen € 15.000,00 op grond van een bespreking op
- betaling dient te geschieden voor 1 november 2016,
- de bruto totaalsom betreft ad € 40.000,00, zijnde incl. btw € 48.400,00.
40,00+
- factuur 20160110 is bij aangetekend schrijven d.d. 27-01-2017 aan uw opdrachtgever geretourneerd, omdat de verschuldigdheid wordt betwist; overigens bedraagt het factuurbedrag van factuur 20160110 geen € 66.550,00 zoals door u vermeld;
- facturen 20170018 en 20170020 zijn onbekend en nimmer ontvangen, niet per mail en ook niet per post.
3.Het geschil
4.De beoordeling
2005/5256(Dooge/Van der Have): "Voor K was destijds voorzienbaar dat de landbouwproducten die D overeenkomstig de in de overeenkomst omschreven bestemming in de loods zou opslaan van zijn landbouwbedrijf afkomstig zouden zijn en ook dat de door hem in de loods te stallen werktuigen in dat bedrijf zouden worden gebruikt en dus dat die loods dienstbaar zou zijn aan de uitoefening van de landbouw door D. Gelet daarop was de wil van K gericht op het ter uitoefening van de landbouw in gebruik verstrekken van de loods, zodat sprake is van een pachtovereenkomst. (…) Beslissend in dit verband is dat D de loods met toestemming van K ten behoeve van zijn landbouwbedrijf zou gaan gebruiken (…)." Voor de kwalificatie als pacht zijn de inhoud van de door partijen overeengekomen rechten en verplichtingen beslissend en niet de benaming die partijen aan hun rechtsverhouding hebben gegeven. Indien partijen rechten en verplichtingen zijn overeengekomen die volgens de definitie van art. 7:311 BW Pro pacht opleveren, is de wettelijke regeling van de pacht van toepassing, onverschillig of zij de toepasselijkheid van de regels gewild hebben. Hieruit zou kunnen voortvloeien dat de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] betitelde huurovereenkomst van de loods met Kyki geen huurovereenkomst betreft maar eveneens onder de pachtovereenkomst valt.
voortgezet. Indien die vraag bevestigt moet worden beantwoord, is de pachtkamer bevoegd (art. 1019j Rv) en niet de kantonrechter. Indien een zaak meer vorderingen betreft en ten minste één daarvan betreft een zaak die tot de absolute competentie van de pachtkamer behoort, worden al deze vorderingen door de pachtkamer behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Bij vorderingen in conventie en reconventie geldt hetzelfde. De maatstaf voor het vaststellen van de bevoegdheid van de pachtkamer is op grond van het bepaalde in artikel 71 lid 3 Rv Pro het voorlopig oordeel van de rechter over het onderwerp van geschil (HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0050).
nieuweovereenkomst tot stand gekomen. Bofix is een andere entiteit dan Kyki en haar bedrijfsmatige activiteiten zien niet op fruitexploitatie. De loods werd door Bofix weliswaar feitelijk gebruikt voor de opslag van materiaal (de kantonrechter begrijpt: ten behoeve van de landbouw), maar niet ten behoeve van de exploitatie van de fruitplantage. De kantonrechter concludeert uit dit alles dat dit ook niet het beoogd gebruik was. In de gegeven omstandigheden is van een pachtovereenkomst tussen partijen dan ook geen sprake. De kantonrechter acht zich daarmee kortom bevoegd.
- dagvaarding € 87,99
- griffierecht 996,00
- salaris gemachtigde