Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het tussenvonnis d.d. 20 mei 2020
- de akte uitlating zijdens eiseres
- de antwoordakte zijdens gedaagde
2.De verdere beoordeling
- dagvaarding € 86,62
- griffierecht 486,00
- salaris gemachtigde
Rechtbank Limburg
In deze civiele procedure stond de geldigheid van een leaseovereenkomst tussen GRENKENFINANCE N.V. en een stichting centraal. De stichting voerde aan dat zij als kleine stichting met één bestuurder gelijkgesteld moest worden aan een consument en dat de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend waren, met name artikel 18 dat Pro betaling van alle resterende leasetermijnen, teruggave van het leaseobject en een boete cumulatief oplegt.
De kantonrechter oordeelde dat de stichting niet als consument kon worden aangemerkt omdat de leaseovereenkomst werd aangegaan in het kader van haar bedrijfsactiviteiten. Wel werd geoordeeld dat de cumulatieve bepalingen in artikel 18 onredelijk Pro bezwarend zijn. De stichting kon niet worden verplicht naast betaling van de resterende termijnen ook het leaseobject binnen vijf dagen te retourneren en een boete te betalen zonder opschortingsrecht.
Daarom werd artikel 18 lid 3 vernietigd Pro en de vorderingen gebaseerd op dit beding afgewezen. Wel werd de ontbinding van de leaseovereenkomst per 19 maart 2019 verklaard en werd de stichting veroordeeld tot afgifte van het leaseobject binnen zeven dagen, onder verbeurte van een dwangsom. De stichting werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De leaseovereenkomst is ontbonden en de stichting is veroordeeld tot teruggave van het leaseobject binnen zeven dagen onder dwangsom.