ECLI:NL:RBLIM:2021:10117

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 november 2021
Publicatiedatum
24 maart 2022
Zaaknummer
C/3/287076 / FA RK 21-37
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige wegens eigen inkomen en beëindiging studie

De rechtbank Limburg behandelt een verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdrage van een vader aan zijn jongmeerderjarige dochter. De vader verzoekt de bijdrage te beëindigen per 1 augustus 2020, omdat de dochter haar studie heeft stopgezet en sindsdien vier dagen per week werkt, waardoor zij zelf in haar levensonderhoud kan voorzien.

De dochter betwist dit en stelt dat de onderhoudsplicht blijft bestaan, ook als zij zelf in haar kosten kan voorzien. De rechtbank beoordeelt de situatie aan de hand van de gewijzigde omstandigheden sinds de echtscheiding in 2013, waarbij de dochter meerderjarig is geworden, samenwoont en een inkomen heeft.

Uit loonstroken blijkt dat de dochter vanaf oktober 2020 een inkomen heeft dat haar behoefte overstijgt. De rechtbank besluit daarom de bijdrage per 1 oktober 2020 te beëindigen en wijst het verzoek van de vader deels toe. Tevens moet de dochter teveel betaalde alimentatie na die datum terugbetalen. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De onderhoudsbijdrage van de vader aan de jongmeerderjarige wordt per 1 oktober 2020 beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familierecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/3/287076 / FA RK 21-37
Bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie
Beschikking van 29 november 2021
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. F.F.A.D.C. Tjalma,
t e g e n
[jongmeerderjarige] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna: [jongmeerderjarige] ,
advocaat mr. B.H.S. Brinkman.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift tot wijziging onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige met bijlagen 1 tot en met 2, binnengekomen op 7 januari 2021;
het verweerschrift met bijlage productie 1;
het F9-formulier van mr. Tjalma, binnengekomen op 4 maart 2021;
het F9-formulier van mr. Tjalma met bijlagen 3 tot en met 5, binnengekomen op 2 november 2021, en
het F9-formulier van mr. Brinkman met bijlagen 2 en 3, binnengekomen op 3 november 2021.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 12 november 2021. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Bij deze behandeling waren (vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 via videobellen) aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
  • [jongmeerderjarige] , bijgestaan door haar advocaat.

2.Waar gaat het over?

2.1.
De vader en
[de moeder](hierna: de moeder) zijn de ouders van [jongmeerderjarige] , die geboren is op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.2.
[jongmeerderjarige] woont – inmiddels – samen met [naam] (hierna: [naam] ).
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 15 mei 2013 is tussen de vader en de moeder de echtscheiding afgesproken. Zij zijn in het ouderschapsplan – dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking – overeengekomen dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] € 150,- per maand aan de moeder dient te voldoen. Deze bijdrage is per 17 augustus 2019 geconverteerd in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie (hierna: kinderalimentatie). Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) bedraagt die bijdrage thans afgerond € 172,- per maand.
2.4.
De vader wil dat dit bedrag op nul (nihil) wordt gesteld met ingang van 1 augustus 2020 of met ingang van het moment dat de omstandigheden zijn gewijzigd of met ingang van de datum waarop het verzoekschrift is ingediend. Hij stelt dat [jongmeerderjarige] in augustus 2020 gestopt is met haar opleiding en thans 4 dagen per week werkzaam is. Zij verdient daarmee een zodanig inkomen dat zij geen behoefte meer heeft aan een bijdrage. Mocht [jongmeerderjarige] toch niet (geheel) in haar behoefte kunnen voorzien, dan dient ook de moeder daarin bij te dragen.
2.5.
[jongmeerderjarige] is het niet eens met het verzoek van haar vader en vraagt de rechtbank hem daarin niet te ontvangen of zijn verzoek af te wijzen of een zodanige bijdrage vast te stellen als zij juist acht. Zij is van mening dat de onderhoudsplicht van haar vader doorloopt, ook ingeval zij zelf in haar kosten van levensonderhoud zou kunnen voorzien. Nu haar vader voldoende inkomsten heeft uit zijn onderneming, bestaat er bovendien geen reden om de door hem betaalde bijdrage te matigen of op nihil te stellen. Mocht de rechtbank de bijdrage toch wijzigen, dan dient dat niet eerder in te gaan dan de datum van de beslissing.

3.De beoordeling

conclusie
3.1.
De rechtbank beslist dat de vader per 1 oktober 2020 geen kinderalimentatie meer aan [jongmeerderjarige] hoeft te betalen. De rechtbank wijst dus een deel van het verzoek van de vader toe en legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij alleen in op de standpunten van de vader en [jongmeerderjarige] die voor de beoordeling van belang zijn. De rechtbank rondt af op hele euro’s.
ontvankelijkheid: wat zegt de wet?
3.2.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
lid 1: wijziging van omstandigheden?
3.3.
Sinds 2013 zijn de omstandigheden gewijzigd: [jongmeerderjarige] is meerderjarig geworden, zij ontvangt inkomen uit werk en woont inmiddels samen met [naam] . De rechtbank zal daarom beoordelen of de geldende bijdrage moet worden gewijzigd.
ingangsdatum
3.4.
De wet [1] laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
3.5.
Hier vindt de rechtbank het redelijk om 1 oktober 2020 als ingangsdatum te hanteren. Dat is de eerste dag van de maand waarin [jongmeerderjarige] – zoals hierna wordt vastgesteld – voor het eerst zelf (geheel) in haar behoefte voorzag. Zij wist of behoorde te weten dat zij vanaf dat moment en voor de tijd dat zij in haar eigen behoefte voorzag geen aanspraak meer had op een bijdrage. Dat zij ondanks die wetenschap haar vader heeft aangeschreven om de bijdrage te blijven voldoen, komt dan ook voor haar rekening en risico.
de behoefte van [jongmeerderjarige] en haar inkomen
3.6.
Hoewel [jongmeerderjarige] tijdens de mondelinge behandeling heeft verzocht om bij de bepaling van haar behoefte aan te sluiten bij de door haar gestelde maandelijkse lasten, heeft zij die lasten niet aan de hand van (financiële) stukken onderbouwd. De rechtbank sluit daarom bij de bepaling van haar behoefte aan bij de WSF-norm. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de keuze van [jongmeerderjarige] om te stoppen met haar opleiding niet zonder meer met zich meebrengt dat haar behoefte toeneemt.
3.7.
Volgens de WSF-norm had een thuiswonende mbo-student in 2020 een behoefte van € 622,05 (netto) per maand. Nu de vader heeft gesteld dat [jongmeerderjarige] per 1 augustus 2020 is gestopt met haar opleiding en zij die stelling niet aan de hand van stukken – zoals een bewijs van uitschrijving tegen een latere datum – heeft betwist, vermindert de rechtbank dat bedrag met het lesgeld van € 100,17 en de studiekosten [2] (boeken en leermiddelen) van € 58,-. De resterende behoefte van [jongmeerderjarige] bedraagt daarmee per 1 augustus 2020 € 464,- netto per maand. Door wettelijke indexering is dat thans € 487,- netto per maand.
3.8.
Uit de door [jongmeerderjarige] overgelegde loonstroken blijkt dat zij per 21 september 2020 in dienst is getreden bij MeanderGroep. Haar inkomen oversteeg voor het eerst in oktober 2020 haar onder 3.7 berekende behoefte en is sindsdien – ook nadat [jongmeerderjarige] per januari 2021 van werkgever veranderde – nooit lager geweest dan € 579,28 netto per maand. Dit betekent dat [jongmeerderjarige] – in ieder geval – vanaf oktober 2020 tot heden volledig zelf in haar behoefte heeft kunnen voorzien.
3.9.
De rechtbank passeert de stelling van [jongmeerderjarige] dat haar vader moet bijdragen ongeacht of zij zelf geheel in haar kosten van levensonderhoud voorziet. Omdat de inkomsten van [jongmeerderjarige] structureel zijn (gebleken), was zij niet langer behoeftig. Zouden haar inkomsten wegvallen of verminderen, dan kan de bijdrageplicht van de vader herleven. [3]
terugbetalen van teveel betaalde kinderalimentatie
3.10.
Voor zover de vader na 1 oktober 2020 kinderalimentatie aan [jongmeerderjarige] heeft betaald, dient zij wat betaald is terug te betalen. Gesteld noch gebleken is dat [jongmeerderjarige] daartoe niet in staat is.
proceskosten
3.11.
De rechtbank beslist dat de vader en [jongmeerderjarige] hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij vader en dochter zijn.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 15 mei 2013, en stelt de bijdrage van de vader in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] met ingang van
1 oktober 2020op
nul(nihil);
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
beslist dat de vader en [jongmeerderjarige] hun eigen proceskosten moeten betalen, en
4.4.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Dit is de beslissing van rechter mr. J.B. de Groot, tot stand gekomen in samenwerking met mr. N. Kum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2021.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek
2.zie artikel 26.2.12. Leidraad Invordering van de Belastingdienst
3.Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2234 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren