Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
“Het spijt me voor alles mam. Dat ik dit niet eerder heb verteld. Papa en ik, wij hebben al twee jaar seks met elkaar (…). [3]
vóór[datum] . Dat is de dag waarop haar zus [naam 1] jarig was en waarop [slachtoffer 1] naar haar biologische vader ( [biologische vader slachtoffer] ) is gegaan en daar seks met hem heeft gehad. Dat die filmpjes zijn gemaakt, wordt door de verdachte bekend. Dat betekent dat [slachtoffer 1] en de verdachte ruim vóór [geboortedatum] - de dag waarop zij
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en de maatregel
ik heb toen het gebeurde geen normale puber kunnen zijn. Nu moet ik opnieuw leren wat normaal is. Hoe ik er mee om moet gaan. En heb ik niet zelf kunnen ontdekken wie ik ben, op wat ik val enzovoorts.” [slachtoffer 1] is aangewezen op professionele hulpverlening.
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
tot op hedenheeft geleden. De vordering wegens immateriële schade wordt voor het meerdere afgewezen. In dat verband overweegt de rechtbank nog dat eventuele toekomstige gevolgschade aan de civiele rechter kan worden voorgelegd.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van zes jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- verstaat dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering;
- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij als vergoeding van de schade
- wijst de vordering, voor zover deze ziet op een hoger bedrag aan smartengeld tot heden geleden, af;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , van € 10.050,54, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen
- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 667,53;