Uitspraak
RECHTBANK limburg
1.De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
“Uit het psychodiagnostisch onderzoek komt naar voren dat er bij cliënte geen sprake is van een hogere mate van psychische klachten in vergelijking met de normale bevolking. In de persoonlijkheid van cliënte zijn echter aandachtspunten. Cliënte is hiervoor onder behandeling van een psycholoog. Het advies is om in overleg met cliënte en behandelaar te overleggen wanneer re-integratie naar een reguliere, betaalde baan haalbaar is. Zodra dit het geval is, zal cliënte baat hebben bij gedegen re-integratiebegeleiding, waarbij er samen met haar gezocht kan worden naar passende vacatures en waarbij ze begeleiding krijgt in dit proces naar werk. Mijn inziens draagt een participatieproject hier niet positief aan bij, maar zal ze eerder baat hebben bij een proefplaatsing in een reguliere baan waarbij ze haar belastbaarheid geleidelijk kan uitbouwen. Belangrijk is dat hierbij rekening wordt gehouden met haar capaciteiten en aandachtspunten op persoonlijk en sociaal vlak.”
15 november 2018. Na de ziekmelding en verzuimcontrole heeft verzekeringsarts Brouns een tweede medisch advies uitgebracht op 13 november 2018. De verzekeringsarts heeft in het kader van dit advies de werkplek bij de Werkmeester bezocht. Uit dit advies blijkt dat de arbeidsmogelijkheden van eiseres ongewijzigd zijn ten opzichte van het medisch advies van 4 oktober 2018. Op basis van dit advies heeft verweerder met het primaire besluit 2 eiseres verplicht om mee te werken aan de training werknemersvaardigheden bij de Werkmeester.
5.De rechtbank overweegt als volgt.
Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn 2 jaar en 2 maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van eiseres heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure in eerste aanleg meer dan twee jaren zou mogen bedragen. Dit brengt met zich dat de redelijke termijn met 2 maanden is overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500,-.
€ 2.136,-, te weten 1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften tegen de primaire besluiten 2 en 3 (die op grond van artikel 3 van Pro het Besluit proceskostenbestuursrecht worden aangemerkt als samenhangende zaken), 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1.
- verklaart het beroep ongegrond voor zover dit ziet op de niet-ontvankelijkheid van eiseres in bezwaar tegen het primaire besluit 1;
- verklaart het beroep voor het overige gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de primaire besluiten 2 en 3;
- herroept de primaire besluiten 2 en 3;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde onderdelen van het bestreden besluit;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade ten bedrage van € 500,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.136,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2021.