Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen
[Naam 1] en 30 anderen, te [woonplaats] , eisers,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder,
[naam 2] en [naam 3], te [woonplaats] , vergunninghouders.
Procesverloop
Overwegingen
niet eerderkan ingaan dan de datum van vergunningverlening voor het strijdig gebruik. Deze jurisprudentie ziet op de situatie dat voor al bestaand (illegaal) gebruik een tijdelijke omgevingsvergunning wordt verleend. Die situatie is hier niet aan de orde. Uit die jurisprudentie kan niet zonder meer worden afgeleid dat de termijn van een tijdelijke vergunning niet later kan ingaan dan de datum van vergunningverlening. De rechtbank ziet overigens ook vanuit oogpunt van rechtszekerheid of anderszins geen aanleiding om aan te nemen dat in een omgevingsvergunning geen ingangsdatum kan worden opgenomen, die vervolgens bepalend is voor het einde van de tienjaarstermijn. De grondslag van de aanvraag wordt hiermee ook niet verlaten nu daarin slechts de termijn en geen aanvangsmoment wordt genoemd. Van belang voor de onderhavige zaak is bovendien dat de afwijking van het bestemmingsplan niet is gebaseerd op artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II van het Bor maar op artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II van het Bor in combinatie met artikel 2.23 van de Wabo. Daarin is geen maximale termijn gesteld. De omgevingsvergunning kan voor onbepaalde tijd, maar ook met toepassing van artikel 2.23 van de Wabo tijdelijk worden verleend. De jurisprudentie waar eisers naar verwijzen, is in dit geval ook om die reden dus niet van toepassing. De rechtbank is verder van oordeel dat de start- en einddatum van de tijdelijke vergunning – gekoppeld aan de feitelijke aanvang van het gebruik dat de vergunning mogelijk maakt (zoals dat blijkt uit het nachtregister) – niet in strijd is met de rechtszekerheid omdat de aanvang van het strijdig gebruik objectief aan de hand van het nachtregister kan (en moet) worden vastgesteld. Vergunninghouder moet dat bijhouden en verweerder moet dat controleren. Het is niet de taak van eisers om dat te controleren en dat eisers dat niet zelf mogen doen, doet er niet aan af dat verweerder objectief kan vaststellen wanneer de einddatum wordt bereikt. Eisers kunnen bovendien zelf feitelijk bij benadering nagaan wanneer het feitelijk gebruik aanvangt en kunnen dit (vervolgens) exact nagaan door navraag bij verweerder c.q. inzage in het nachtregister. Dat het einde van de tienjaarstermijn op een (thans nog onzekere) datum is gelegen meer dan tien jaar na de vergunningverlening doet aan het voorgaande niet af omdat dit de in de vergunning opgenomen tienjaarstermijn niet verlengt.
- verklaart het beroep van eisers 1 ( [Naam 1] - [*] ) en eisers 5 ( [*] ) tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep eisers 2 ( [*] - [*] ), 3 ( [*] - [*] ), 12 ( [*] - [*] ), 13 ( [*] ) en 15 ( [*] - [*] ) tegen bestreden besluit 1 ongegrond;
- verklaart het beroep van eisers 4 ( [*] ), 6 ( [naam 4] - [*] ), 7 ( [*] ), 8 ( [*] - [*] ), 9 ( [*] - [*] ), 10 ( [*] - [*] ), 11 ( [*] - [*] ), 14 ( [*] ), 16 ( [*] en [*] ), 17 ( [*] en [*] ) en 18 ( [*] ) tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad € 178.00 vergoedt.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.