Uitspraak
200601811/1.
200305777/1), is bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel de actuele situatie bepalend. In beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd. In dit geval moet echter worden geoordeeld dat, hoewel het gaat om twee kadastrale percelen, deze percelen zijn aan te merken als één bouwperceel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat beide percelen ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in eigendom waren van [vergunninghouder] en dat het perceel K303 grotendeels dezelfde agrarische bestemming heeft. Dat op een klein gedeelte van het perceel K303 de bestemming "Landschapselement" rust, biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel. Ter zitting heeft het college voldoende gemotiveerd uiteengezet dat de planwetgever slechts de ter plaatse aanwezige bosjes positief heeft willen bestemmen en daaraan geen verdere betekenis toekomt.
200704982/1leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in die zaak, volgt uit de bouwtekeningen niet dat het gedeelte van het bouwplan dat buiten de vergunning van 25 juli 2006 valt, bestemd is voor gebruik waarvoor vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer benodigd is.