Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- Het tussenvonnis van 29 juli 2020
- Het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 november 2020
- De akte van [gedaagde]
- De conclusie na enquête van [eiser] .
- de antwoordconclusie na enquête van [gedaagde]
Rechtbank Limburg
Eiser stelde dat de passage in de koopovereenkomst van 27 juni 2019, waarin staat dat de koopsom volledig bij ondertekening was betaald, niet op waarheid berust. De rechtbank Limburg heeft eiser toegelaten bewijs te leveren om deze bewering te staven.
Eiser heeft drie getuigen gehoord, waaronder gedaagde zelf, die verklaringen hebben afgelegd over de contante betaling. Hoewel er enige inconsistenties waren in de verklaringen over het exacte moment van betaling, ontbraken concrete aanwijzingen dat de contante betaling niet heeft plaatsgevonden. Ook een overschot in de betaalde som en verklaringen van een accountant die sprak over een lening in plaats van contante betaling, konden niet overtuigend aantonen dat de contante betaling niet had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt dat de twijfels over de gang van zaken onvoldoende zijn om de passage in de overeenkomst te ontkrachten. Eiser is daarom niet geslaagd in zijn bewijsopdracht en de vordering wordt afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de contante betaling niet heeft plaatsgevonden.