Uitspraak
[derde-partij]te [vestigingsplaats 2]
Rechtbank Limburg
Vergunninghouder exploiteert een intensieve veehouderij met een mestverwerkingsinstallatie en vroeg om een omgevingsvergunning voor uitbreiding van deze installatie zonder wijziging van de veehouderij zelf.
Verweerder verleende de vergunning, waarbij geur- en geluidbelasting onderzocht werden. Eisers stelden dat de geurbelasting onaanvaardbaar is en dat de brijvoerkeuken en veehouderij ook meegewogen moesten worden. De rechtbank oordeelde dat deze activiteiten losstaan en niet onder de vergunning vallen, en dat de geurbelasting volgens deskundigenrapporten binnen de norm blijft.
Eisers voerden ook aan dat het hygiëniseren van mest tot geurhinder leidt en dat het rapport van Olfasense onbetrouwbaar is. De rechtbank vond dat verweerder terecht op het deskundigenrapport mocht vertrouwen, mede omdat eisers geen contra-expertise hadden overgelegd.
Verder stelde de rechtbank dat het ontbreken van provinciaal geurbeleid niet betekent dat het aanvaardbare geurhinderniveau niet vastgesteld kan worden. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het af.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor uitbreiding van de mestverwerkingsinstallatie wordt ongegrond verklaard.