Uitspraak
RECHTBANK limburg
[verzoeker] , verzoeker,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
ne bis in idem-beginsel dat voorkomt dat een persoon wordt onderworpen aan dubbele vervolging en bestraffing van hetzelfde feit. De last ziet immers op alle voertuigen van verzoeker, terwijl er ten aanzien van diverse voertuigen (te weten met kentekens [kenteken 4] , [kenteken 5] , [kenteken 6] , [kenteken 3] en [kenteken 7] ) al (beroeps)zaken lopen. Voor de aanhanger met kenteken [kenteken 3] geldt meer specifiek dat hierover een boetezaak/boetezaken bij het CJIB loopt/lopen.
explicietdubbele zaken lopen de aanhanger betreft met het kenteken [kenteken 3] . Ten aanzien van deze aanhanger loopt reeds een boetezaak bij (of ten aanzien van een beslissing van) het CJIB, hetgeen een strafrechtelijk en niet een bestuursrechtelijk traject betreft. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder bij het opleggen van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen een eigen verantwoordelijkheid heeft, die niet afhankelijk is van de met strafvervolging en strafoplegging belaste organen. De last onder dwangsom is een reparatoire sanctie, terwijl een strafrechtelijke procedure kan leiden tot een punitieve sanctie die bedoeld is om leed toe te brengen na het plegen van een strafbaar feit. Hoewel verzoeker dat mogelijk anders ervaart, is het opleggen van een last onder dwangsom niet bedoeld om leed toe te brengen na het overtreden van de last. Verzoeker kan voorkomen dat hij dwangsommen verbeurt door zich te houden aan hetgeen in de APV is bepaald. Dit betekent dat de last onder dwangsom niet is aan te merken als criminal charge als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. In het verlengde daarvan is het bestreden besluit evenmin in strijd met het
ne bis in idem-beginsel. Ten aanzien van de overige door verzoeker genoemde voertuigen geldt dat er op dit moment geen expliciete dubbele besluitvorming is. Deze voertuigen worden immers enkel door de huidige besluitvorming “geraakt” indien verzoeker hiermee in de toekomst opnieuw een overtreding van artikel 5:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV zou begaan, hetgeen hij uiteraard volledig zelf in de hand heeft. Deze omstandigheid maakt de besluitvorming niet gebrekkig.
Beslissing
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- schorst het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel tot 11 juni 2021 om 10.00 uur.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op