Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
4.De beslissing
verklaarthet openbaar ministerie
niet-ontvankelijkin de vervolging.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een verdachte die wordt verdacht van het verblijven als vreemdeling in Nederland terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of een inreisverbod tegen zich had. De tenlastelegging heeft betrekking op een pleegdatum rond 23 december 2017 te Gronsveld.
De zaak werd aanvankelijk geschorst vanwege de juridische complexiteit en de prejudiciële vraag die de Hoge Raad stelde aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van artikel 197 Sr Pro met het Unierecht. Na het arrest van het Hof van 17 september 2020 en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 is duidelijk geworden dat het inreisverbod niet vereist dat een vreemdeling eerst het EU-grondgebied verlaat voordat het strafbaar is om in Nederland te verblijven in strijd met dat verbod.
Het openbaar ministerie heeft op basis van een interne beleidsbrief van 1 februari 2021 verzocht om niet-ontvankelijkheid te vorderen in zaken met een pleegdatum vóór 1 januari 2020. De verdediging sloot zich hierbij aan. De rechtbank volgt dit standpunt en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg te Maastricht op 9 juni 2021, waarbij de verdachte niet aanwezig was maar wel werd vertegenwoordigd door zijn raadsman.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verblijf als ongewenst vreemdeling met pleegdatum vóór 1 januari 2020.