Uitspraak
4.De rechtbank overweegt als volgt.
.Over eisers stelling dat hij door verweerder bij het aanstellingsbesluit is benoemd in dezelfde arbeid als hij daaraan voorafgaand bij verweerder heeft verricht, overweegt de rechtbank het volgende.
.Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake was van ‘dezelfde arbeid’. Dit betekent dat met eisers tijdelijke aanstelling in de functie van concernjurist geen aanstelling voor onbepaalde tijd van rechtswege is ontstaan.
.De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het feit dat eiser zijn pop eerst na het verstrijken van zes maanden na zijn aanstelling gereed had, hem kan worden verweten, aangezien het opstellen van het pop, zo heeft verweerder onbestreden ter zitting uiteengezet, eisers verantwoordelijkheid was.
.Voor wat betreft eisers ontwikkelgesprek in het kader van de, met alle medewerkers in juni 2019 geplande TOP-gesprekken overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken is gebleken dat dit gesprek meermaals niet is doorgegaan, omdat eiser het gespreksformulier niet had ingevuld c.q. ge-upload, waardoor het gesprek niet kon worden voorbereid. Aangezien de medewerkers (onder wie eiser) uitdrukkelijk was meegedeeld dat het formulier voorafgaand aan het gesprek ingevuld moest worden (uiterlijk één dag voor het gesprek via ‘Youpp’) is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit eiser is aan te rekenen. Het TOP-gesprek vond uiteindelijk plaats op 3 oktober 2019. In dat gesprek is het formulier niet meer besproken, omdat verweerder eiser toen heeft meegedeeld dat de aanstelling niet zou worden voortgezet.
.Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aan de door het bestuursorgaan redelijkerwijs te stellen eisen en/of verwachtingen heeft voldaan.
19.Het beroep is ongegrond.
20.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.