Eiser was sinds 2002 in dienst van de gemeente en sloot in 2006 een overeenkomst waarin was bepaald dat hij tot 29 maart 2017 in dienst zou blijven en salaris zou ontvangen, aansluitend op toen geldende pensioengerechtigde leeftijd. Door wetswijziging werd de AOW-leeftijd verhoogd tot 29 december 2017, waardoor eiser een AOW-gat had. Eiser verzocht de gemeente om het salaris door te betalen tot deze nieuwe AOW-leeftijd, maar dit verzoek werd afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat de intentie van partijen bij de overeenkomst van 2006 was om aan te sluiten bij de pensioengerechtigde leeftijd, en dat de wijziging van de AOW-leeftijd aanleiding geeft tot aanpassing van de overeenkomst. De gemeente had hierover in overleg moeten treden met eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank draagt de gemeente op om opnieuw te beslissen op het bezwaar en veroordeelt de gemeente in de proceskosten en het griffierecht van eiser.